Vragen van lezers
● Kan er zonder meer worden gezegd dat alleen gedoopte getuigen van Jehovah Armageddon zullen overleven? — A. S., V.S.
Het zou misleidend zijn deze vraag met hetzij een eenvoudig „Ja” of een „Neen” te beantwoorden. Het schriftuurlijke antwoord moet noodzakelijkerwijs „met voorbehoud” zijn, en men kan gemakkelijk inzien waarom.
In 1 Korinthiërs 7:14 toont de bijbel aan dat God de minderjarige kinderen van een christelijke ouder als „heilig” kan beschouwen. Hoewel zij jong zijn en nog niet het punt hebben bereikt dat zij persoonlijk voor Jehovah verantwoordelijk zijn, tracht hun vader of moeder in hen een liefde voor God en voor de weg van rechtvaardigheid te ontwikkelen. Het schijnt duidelijk te zijn dat God hen ten tijde van de vernietigende oorlog van Armageddon op grond van de gezinsverdienste van de christelijke vader of moeder zal beschermen, ook al hebben de kinderen zich nog niet aan God opgedragen en zijn zij nog niet gedoopt.
Het antwoord moet ook „met voorbehoud” zijn omdat de bijbel niet precies zegt hoe God bepaalde uitzonderlijke gevallen zal behandelen, zoals die waarbij geestelijk gestoorde personen zijn betrokken die nooit in staat zijn geweest over Jehovah en zijn voornemens te vernemen. Evenals in het geval van minderjarige, ontoerekeningsvatbare kinderen die een getrouwe gelovige ouder of verzorger hebben, is het met betrekking tot deze ongedoopte personen mogelijk dat er gezinsverdienste zal worden toegepast.
Niettemin verkleinen deze speciale gevallen in geen enkel opzicht de belangrijkheid van opdracht en doop voor degenen die gedurende de vernietigende climax van dit goddeloze samenstel van dingen Gods gunst en bescherming wensen te genieten. God spoort degenen die er werkelijk belangstelling voor hebben in leven te blijven, ertoe aan rechtvaardigheid te zoeken en hem in geloof aan te roepen (Zef. 2:2, 3; Joël 2:32). Dit betekent duidelijk dat iemand alles moet doen wat in zijn vermogen ligt om Gods wil te doen. En wat is die wil met betrekking tot de doop?
Jezus werd in water gedoopt, waardoor er voor christenen een voorbeeld werd gesteld (Matth. 3:13-17; 1 Petr. 2:21). Tot zijn laatste instructies aan zijn discipelen behoort het bevel „discipelen van mensen uit alle natiën [te maken], hen dopende” (Matth. 28:19, 20). En men behoeft het boek Handelingen maar te lezen om te zien dat de eerste christenen beseften dat de doop voor allen die Gods gunst wensten te genieten een noodzakelijke stap van gehoorzaamheid was. — Hand. 2:37-41; 16:30-33.
Noch het Wachttorengenootschap noch enig mens kan thans de kracht van die duidelijk aangegeven goddelijke wil verzwakken. Er schijnt geen bijbelse reden te bestaan voor de gedachte dat iemand die een redelijke kennis van de bijbelse waarheid heeft gehad en op de hoogte is geweest van de belangrijkheid zijn leven aan God op te dragen en gedoopt te worden, maar zich ervan heeft onthouden dit te doen gedurende de aanstaande vernietiging door God beschermd zal worden.
Wij zijn ons ervan bewust dat er veel hypothetische of „Maar gesteld dat . . .”-gevallen ter sprake gebracht zouden kunnen worden, gevallen waarbij verzachtende omstandigheden betrokken schijnen te zijn. Wat heeft het echter voor zin over zulke gevallen te gaan speculeren? Jezus’ illustratie over de „schapen” en „bokken” toont onomstotelijk aan dat er een tijd zal komen waarin de scheiding tussen de „schapen” en de „bokken” duidelijk en definitief zal zijn (Matth. 25:31-46). In plaats van naar „mazen” in Gods regeling voor redding te zoeken, dienen alle mensen die bescherming wensen te ontvangen, volledig voordeel te trekken van Gods barmhartige gelegenheid om hem te dienen. En zij dienen dit nu te doen, voordat het te laat wordt om erover te beginnen te denken een dienstknecht van Jehovah te worden. De „schapen”, die beschermd worden en „eeuwig leven” ontvangen, zullen toerekeningsvatbare personen zijn die Gods wil zo volledig mogelijk doen (1 Joh. 2:17). De bijbel toont ondubbelzinnig aan dat Jehovah’s wil voor mensen thans omvat dat zij gedoopt worden en openbare getuigen van hem zijn. — Rom. 10:10.
Jezus vergeleek onze tijd, vlak voor het einde van dit goddeloze samenstel van dingen, met de dagen van Noach (Matth. 24:36-39). En met Noachs ervaring in gedachten, voegde de apostel Petrus hieraan toe: „Ook nu wordt gij gered door dat wat hiermee overeenkomt, namelijk de doop (niet het wegdoen van de vuiligheid van het vlees, maar het verzoek aan God om een goed geweten)” (1 Petr. 3:20, 21). Allen die gered wensen te worden, dienen dus terdege te beseffen hoe uiterst belangrijk de stap van de doop is.