Vragen van lezers
● Als Abraham werkelijk geloofde dat hij zijn zoon Isaäk ging offeren, waarom zei hij dan tot zijn knechten dat hij en Isaäk tot hen zouden terugkeren? — E. M., V.S.
Jehovah vertelde Abraham heel duidelijk dat hij wilde dat Abraham zijn geliefde zoon Isaäk zou offeren. — Gen. 22:2.
In geloof reisde Abraham met zijn zoon en twee knechten totdat zij de plaats waar het slachtoffer gebracht moest worden, in de verte zagen. Toen zei Abraham tot zijn knechten: „Blijft gij hier met den ezel, terwijl ik en de jongen daarginds heengaan; wanneer we hebben aangebeden, zullen wij tot u terugkeren.” — Gen. 22:5.
Of Abraham de waarachtigheid van zijn woorden op dat moment ten volle besefte, weten wij niet. Maar wat hij zei, was als het ware profetisch met betrekking tot datgene wat werkelijk zou gebeuren.
Twijfelde Abraham eraan of Isaäk wel als een slachtoffer geofferd zou worden? Neen, hij was volkomen van plan God te gehoorzamen en hij had volledig geloof in Jehovah en zijn macht. Abraham zou dus doen wat God zei, ook al betekende dit dat zijn geliefde zoon zou sterven. Abraham wist dat zowel hij als zijn vrouw Sara zo goed als dood waren geweest wat het vermogen betreft om nog kinderen voort te brengen, en toch had God dat vermogen van hen weer tot leven gebracht. Dit doen herleven van hun voortplantingsvermogen had tot gevolg gehad dat Isaäk was geboren. — Hebr. 11:11, 12; Rom. 4:19-21.
Jehovah had Abraham reeds beloofd dat hij hem tot een grote natie zou maken en dat Abraham aldus een middel zou zijn waardoor „alle geslachten des aardbodems” gezegend zouden worden. En God had Abraham verteld wat er met betrekking tot zijn nakomelingen zou gebeuren (Gen. 12:1-3; 15:13-16). God sprak niet over nageslacht via een andere zoon, want hij zei uitdrukkelijk: „Door Isaäk zal men van uw nageslacht spreken” (Gen. 21:12). Als Isaäk werd geofferd, dan zou Jehovah, wilde de zegen via dat zaad komen, Isaäk uit de doden hebben moeten opwekken. Geloofde Abraham dat Jehovah daartoe in staat was? Onder inspiratie antwoordde Paulus dat Abraham „van oordeel [was] dat God [Isaäk] zelfs uit de doden kon opwekken” (Hebr. 11:19). Het is derhalve duidelijk dat Abraham verwachtte dat als Isaäk stierf, God hem te zijner tijd uit de doden zou opwekken opdat Isaäk het beloofde zaad zou kunnen voortbrengen. Hetgeen Abraham tot zijn knechten sprak, vormt een weerspiegeling van dat vertrouwen.
● Waarom zei de apostel Paulus, zoals staat opgetekend in 1 Korinthiërs 1:17, dat Christus hem „niet [had] uitgezonden om te dopen”? Hij heeft toch gelovigen gedoopt, niet waar? — G. Q., V.S.
Midden in zijn commentaren over een probleem met betrekking tot verdeeldheid die er in de gemeente te Korinthe bestond, schreef de apostel Paulus: „Want Christus heeft mij niet uitgezonden om te dopen, maar om het goede nieuws bekend te maken, niet met wijsheid van woorden, opdat de martelpaal van de Christus niet nutteloos gemaakt zou worden.” — 1 Kor. 1:17.
Wij kunnen er zeker van zijn dat Paulus heel goed op de hoogte was van Jezus’ gebod discipelen te maken en hen te dopen (Matth. 28:19, 20). En Paulus reisde veel, waarbij hij discipelen maakte en de mensen alles leerde onderhouden wat Jezus geboden had. Hij bagatelliseerde de belangrijkheid van de doop niet, maar beval die juist aan. — Hand. 19:1-5.
De woorden in 1 Korinthiërs 1:17 moeten in hun verband begrepen worden. In de voorgaande verzen sprak Paulus erover dat hij Krispus, Gajus en het huisgezin van Stéfanas had gedoopt (1 Kor. 1:14-16). Hij deed dit niet zonder toestemming van Christus, maar veeleer met de autorisatie die in Matthéüs 28:19 staat opgetekend.
Wat de apostel duidelijk wilde maken was, dat hij het dopen van personen niet als zijn exclusieve of voornaamste toewijzing beschouwde. Christus vertelde Paulus uitdrukkelijk dat hij moest prediken, om een „getuige” voor de natiën te zijn (Hand. 26:16; 9:15). Hoewel Paulus personen kon dopen en hij dit ook heeft gedaan, zijn er redenen waarom hij wellicht geen grote aantallen heeft gedoopt. Uit het verband blijkt dat er verdeeldheid kon ontstaan. Als de apostelen zelf zich zouden specialiseren in dopen, zou dit ertoe hebben kunnen bijdragen dat er groepjes of kliekjes van christenen werden gevormd die door bepaalde mannen waren gedoopt.
Toen Paulus dus in Korinthe verbleef — enkele jaren voordat hij zijn eerste brief aan de gemeente aldaar schreef — doopte hij enkele personen. De doop was evenwel geen speciale rite die alleen maar door de apostelen werd verricht, en ook deed het niets ter zake of de doop nu door een apostel of door een ander manlijk lid van de christelijke gemeente werd verricht.