Vragen van lezers
● Vindt Jezus’ profetie in Matthéüs 24:12 over het verkoelen van de liefde van de meesten, een vervulling in de christenheid of bij Jehovah’s christelijke getuigen? — P.A., V.S.
De dingen die in dit geslacht zijn gebeurd, tonen aan dat zowel de christenheid als Gods ware dienstknechten betrokken zijn bij de vervulling van deze profetie. In het vierentwintigste hoofdstuk van Matthéüs beschreef Jezus Christus aan vier van zijn discipelen de verschillende onderdelen van het samengestelde teken dat tijdens zijn tweede tegenwoordigheid waargenomen zou kunnen worden. Na oorlogen, voedseltekorten, aardbevingen en vervolging van ware christenen te hebben opgenoemd, voegde hij eraan toe: „Vele valse profeten zullen opstaan en velen misleiden; en wegens het toenemen der wetteloosheid zal de liefde van de meesten verkoelen.” — Matth. 24:11, 12.
De verschillende onderdelen van dit samengestelde teken, met inbegrip van het feit dat de mensen worden weggedreven van de bijbel en de fundamentele christelijke leer, zijn sinds de oprichting van Gods koninkrijk in 1914 duidelijk op de voorgrond getreden. De geestelijken van de christenheid zijn gaan meedoen met de neiging de bijbel als mythologisch te bestempelen; vervolgens hebben zij menselijke theorieën, zoals de evolutie, aan hun leer toegevoegd en thans verbreiden zij de „God is dood”-gedachte. Hoewel de mensen in de christenheid, die er aanspraak op maken christenen te zijn, vroeger de bijbel lazen en hem als Gods geïnspireerde Woord beschouwden, zijn velen hier thans door hun religieuze leiders, die een ’valse profeet’ vormen, van afgebracht. En sommigen van die leiders hebben dat zelfs toegegeven. Eén geestelijke zei tot een vergadering van baptisten: „Er is een geest van lethargie over de mensen gekomen . . . en dat is onze schuld.” Een andere predikant zei tot dezelfde groep: „Wij zijn weggedreven van de toepassing van het schriftuurlijke christendom.” — Houston Post van 5 december 1964, blz. 15.
Daar miljoenen mensen in de christenheid de bijbel verworpen hebben als de maatstaf die nagevolgd moet worden, is de moraal hierdoor nadelig beïnvloed. Er is een toename in wetteloosheid geweest. Sommigen denken dat, als er een God is, hij zich er niet om bekommert wat zij doen. De mensen in het algemeen zijn bang voor de hieruit voortvloeiende misdadigheid en wetteloosheid, maar in plaats dat dit hen zich tot God doet keren, drijven zij nog verder van Hem af. Zoals de hiervoor genoemde geestelijke opmerkte, worden zij geestelijk ongevoelig, en de liefde die zij voor God en hun medemensen hadden, vermindert; hun liefde verkoelt.
Sommigen vragen zich af hoe dit de „meesten” kunnen zijn naar wie in de tekst wordt verwezen, daar zij geen ware christenen zijn. Maar zij maken daar wel aanspraak op. Degenen die heel weinig liefde voor God en hun naasten hebben, vormen de meerderheid, de meesten, van degenen die belijden christenen te zijn.
Deze profetie kan echter ook betrekking hebben op personen die werkelijk christenen zijn. Na de oprichting van het Koninkrijk in 1914, bevonden Jehovah’s dienstknechten zich een tijd lang in een toestand van geestelijke gevangenschap. Zij kampten met vervolging van buitenaf, en zelfs binnen de organisatie van ware christenen waren er problemen. Enkelen hadden toegelaten dat hun liefde voor God verkoelde, en zij probeerden zich op onwettige wijze van de leiding van de organisatie meester te maken. Toen zij daar niet in slaagden, vielen zij weg en werden een „boze slaaf”-klasse, welke degenen die ware liefde voor God bleven tonen, tegenwerkte (Matth. 24:48-51). En in de loop der jaren zijn anderen door de wetteloosheid van de wereld beïnvloed of hebben om een andere reden hun liefde laten verdwijnen. Doordat hun liefde verkoelde, zijn zij ertoe gebracht de ware aanbidding te verlaten en zich bij de namaakchristenen te voegen, waardoor zij bij de „meerderheid” gingen behoren.
Toch blijkt er geen reden te zijn aan te nemen dat de meerderheid van hen die zich nu in Jehovah’s organisatie van christelijke getuigen bevinden, in de toekomst hun liefde voor God zullen verliezen. De wetteloosheid en het gebrek aan liefde hebben in de wereld zeer ernstige vormen aangenomen, maar toch blijven de meeste getuigen van Jehovah met een sterke liefde toegewijd aan God. Niettemin dienen wij ons allen om onze geestelijke gezindheid te bekommeren, zodat onze liefde voor God sterk blijft (Matth. 22:37). Als dat met ons allemaal het geval is, zullen Jezus’ woorden in het volgende vers van Matthéüs 24 in ons in vervulling gaan: „Wie tot het einde heeft volhard, die zal gered worden.” — Matth. 24:13.