Dankbaar een van Jehovah’s getuigen te zijn
ONLANGS ontving het Wachttorengenootschap de volgende brief. Hij spreekt voor zichzelf.
„Geliefde Broeders,
Ik wilde jullie alleen schrijven hoe blij ik ben een van Jehovah’s getuigen te zijn. Ik ben mijn ouders zo dankbaar dat zij mij in de waarheid hebben onderwezen. Ik ben vijftien jaar en zit op de middelbare school. Soms schijnt het op mijn leeftijd niet gemakkelijk rechtschapen te blijven, omdat het heel natuurlijk is door anderen geaccepteerd te willen worden. Maar het geeft mij zo’n voldoening als ik de tegenstelling zie tussen dit samenstel van dingen en Jehovah’s getuigen. Het maakt mij ook gelukkig dat ik mij van de slechte invloeden van dit samenstel van dingen afzijdig heb gehouden.
Tijdens de periode dat wij op school huiswerk moeten maken, kijk ik soms naar de andere leerlingen. De meesten van hen hebben een afwezige blik in hun ogen. Je kunt aan hen zien dat zij wanhopig en onzeker over de toekomst zijn.
Gisteren hadden wij les in het voordragen en moesten wij de klas van iets proberen te overtuigen. Een jongen sprak over de oorlog in Vietnam. Drie vrienden van hem waren daar onlangs gesneuveld. Hij was er heel verbitterd over. Hij zei: ’Als iemand niet iets aan de situatie doet waarin deze wereld verkeert, wie weet wat er dan zal gebeuren?’ Al de leerlingen vrezen de toekomst omdat zij geen hoop hebben. Ik dacht bij mijzelf hoe dankbaar ik ervoor kan zijn dat ik een van Jehovah’s getuigen ben. Maandag ben ik aan de beurt om een voordracht te houden. Ik ga hun bewijzen dat God leeft. Ik weet niet hoe zij erop zullen reageren. Ik ga hun vertellen over de hoop die de bijbel biedt. Willen zij die hoop wel?
Enige tijd geleden kwam een meisje naar mij toe en vroeg mij of ik in God geloofde. Ik vertelde haar dat dit het geval was en legde haar uit waarom. Zij zei: ’Ja, ja, het is wel goed zo. Ik wilde alleen maar weten of je wel of niet in hem geloofde.’ Later kwam ik er achter dat zij een opinieonderzoek instelde.
Een andere keer raakte ik in gesprek met een meisje in mijn klas over de evolutie. Zij geloofde er vast in, en niets van wat ik haar zei, drong werkelijk tot haar door. Niettemin bracht ik haar aan het denken, en daar ben ik blij om.
Ik heb de indruk gekregen dat zij niet in God willen geloven. Zij steken de draak met iedere vorm van religie. Een meisje zei tegen mij: ’Mijn vriend is katholiek en ik ben protestant, maar wij zijn beiden atheïsten.’
De helft van de leerlingen hier is verslaafd aan verdovende middelen. Bijna allen zijn alcoholici. Ik geloof dat ik op school de enige ben die niet rookt. . . .
Dit samenstel van dingen zoekt ergens naar. Zij weten niet wat het is en zij kunnen het niet vinden. Zij zijn ontevreden over de toestanden in de wereld; zij weten echter niet hoe zij ze moeten verbeteren.
Als ik de verdorvenheid in de wereld zie, ben ik trots en dankbaar te kunnen zeggen dat ik er geen deel van uitmaak en dat ik een van Jehovah’s getuigen ben.”
Jezus zei duidelijk dat zijn volgelingen „geen deel van de wereld” zouden zijn en dat zij zouden opvallen als mensen die ’anders’ zijn, aangezien zij overeenkomstig goddelijke beginselen zouden leven (Joh. 15:19). Zij zijn mensen met een doel in het leven; hun hoop is diep geworteld in Gods belofte betreffende een rechtvaardig nieuw samenstel van dingen (2 Petr. 3:11-13). Kan dit ook van u worden gezegd?