Vragen van lezers
● Hebben Jezus’ woorden in Lukas 20:34-36 betrekking op de aardse opstanding of op de hemelse opstanding van de 144.000? — W.D., Australië.
Wij ontvangen geregeld vragen over deze verzen 20:34-36, die luiden: „De kinderen van dit samenstel van dingen huwen en worden ten huwelijk gegeven, maar zij die waardig gerekend zijn dat samenstel van dingen en de opstanding uit de doden te verwerven, huwen niet noch worden zij ten huwelijk gegeven. Zij kunnen trouwens ook niet meer sterven, want zij zijn gelijk de engelen, en zij zijn Gods kinderen doordat zij kinderen der opstanding zijn.”
Het is begrijpelijk dat christenen belangstelling hebben voor de vooruitzichten op een huwelijk in de opstanding, daar de sterkste gevoelsbanden van de mens doorgaans betrekking hebben op zijn huwelijkspartner. Vele getrouwe dienstknechten van God die uitzien naar eeuwig leven op aarde en wier partner is gestorven, zouden graag een ondersteuning hebben voor hun hoop dat zij eens weer als man en vrouw verenigd kunnen worden in de opstanding. Hoewel niemand ongevoelig zal zijn voor de oprechtheid van deze gevoelens, dienen wij in te zien dat Jezus’ woorden blijkbaar betrekking hebben op de aardse opstanding en dat ze erop wijzen dat degenen die een opstanding ontvangen, niet zullen huwen noch in een huwelijksgemeenschap met hun vroegere partner herenigd zullen worden.
Om te begrijpen waarom deze aangelegenheid zo moet worden bezien, zal het nuttig zijn de achtergrond van Jezus’ woorden te beschouwen. De woorden in Matthéüs 22:23-33 zullen ons daarbij helpen. In een poging Jezus te slim af te zijn, stelden de Sadduceeën hem voor een probleem: Een joodse vrouw verloor haar echtgenoot voordat zij enige kinderen had gekregen. In overeenstemming met de wet van het leviraatshuwelijk, die in Deuteronomium 25:5-10 staat opgetekend, huwde zij de broer van haar overleden echtgenoot en vervolgens al zijn zeven broers, daar elk van hen stierf zonder dat zij kinderen baarde. De Sadduceeën vroegen wiens vrouw zij in de opstanding zou zijn. — Luk. 20:28-33.
De joden bezaten kennis van en hoop op een aardse opstanding, ook al hielden deze opstandige Sadduceeën er een andere mening op na en weigerden zij de hoop op een opstanding, die zo duidelijk in de Hebreeuwse geschriften wordt vermeld, te aanvaarden (Jes. 25:8; Job 14:13; Dan. 12:13). In zijn antwoord vermeed Jezus niet op hun vraag in te gaan door over de opstanding tot hemels leven te spreken. Zij hadden een probleem opgeworpen dat betrekking had op joden die onder de wet van Mozes stierven voordat Jezus de weg tot hemels leven had geopend, en Christus antwoordde logischerwijs als volgt: „In de opstanding huwen de mannen niet noch worden de vrouwen ten huwelijk gegeven, maar zij zijn als engelen in de hemel.” — Matth. 22:30.
Dat Jezus een aardse opstanding in gedachten had, blijkt verder nog uit het feit dat hij, zoals in Matthéüs 22:31, 32 en Lukas 20:37, 38 staat opgetekend, naar Abraham, Isaäk en Jakob verwees en aan de hand van de inlichtingen die bij het brandende braambos aan Mozes werden verstrekt, bewees dat deze patriarchen een opstanding uit de dood zouden ontvangen. Welnu, welke schriftuurlijke hoop bestaat er voor deze personen? Zij zullen een aardse opstanding krijgen, daar zij zijn gestorven voordat Jezus de weg tot hemels leven opende of die hoop aan een klein aantal mensen verstrekte (Matth. 11:11; Hand. 2:34; Hebr. 10:19, 20). Daarom gaat deze gehele discussie over een aardse opstanding en niet over een opstanding die leven in de hemel, samen met de engelen aldaar, tot gevolg heeft.
Dit werd reeds vroeg door Jehovah’s getuigen begrepen en onderwezen. Als wij teruggaan tot The Watchtower van 15 november 1904, lezen wij op bladzijde 345 in een behandeling van deze verzen 20:34-36: „Het is waar dat de verheerlijkte kerk niet zal trouwen, maar er is hier geen sprake van de kerkklasse, de bruidsklasse. De kwestie had geen betrekking op de heiligen maar op de gewone joden onder de Wet. . . . Niets in de illustratie duidt erop dat hetzij de vrouw, hetzij wie ook van haar echtgenoten, volgelingen van de Heer waren.”
Hoe zullen dan degenen die tot aards leven worden opgewekt als engelen zijn? De engelen in de hemel trouwen niet en planten zich niet voort door engelenkinderen voort te brengen. Toch kunnen zij zich verheugen in voldoening schenkende omgang met myriaden andere geestelijke schepselen die God dienen. Zo zullen ook degenen die in dit tegenwoordige goddeloze samenstel van dingen bewijzen dat zij het waard zijn een opstanding te verkrijgen en in de nieuwe ordening of het komende samenstel van dingen te leven, niet huwen en kinderen verwekken (2 Kor. 4:4; Mark. 10:30). In de opstanding worden zij onmiddellijk „Gods kinderen doordat zij kinderen der opstanding zijn”. Hun hemelse „Vader”, degene die hun door middel van de opstanding leven geeft, heeft bepaald dat zij niet zullen trouwen, doch zij zullen in de gelegenheid zijn vele andere zegeningen uit zijn hand te ontvangen, waarvan het voorrecht van nauwe en hartelijke omgang met andere aardse dienstknechten van God, zeker niet het minste is.
Daarbij komt nog dat zij die een opstanding tot aards leven ontvangen en die hun loyaliteit tegenover God gedurende het duizendjarige rijk en de daaropvolgende laatste beproeving bewijzen, door God als rechtvaardig zullen worden erkend en aldus eeuwig leven zullen ontvangen (Openb. 20:5, 7-10). Wanneer Jehovah hen eenmaal rechtvaardig heeft verklaard door hun menselijke volmaaktheid en rechtvaardigheid te erkennen, kan geen andere persoon in hemel of op aarde hen zonder Gods toestemming vernietigen (Rom. 8:33). De engelen zijn sterfelijk, zoals wordt bewezen door het feit dat Satan en de demonen zullen worden vernietigd (Matth. 25:41). Ondanks hun sterfelijkheid leven de getrouwe engelen voor eeuwig. Degenen die, na tot aards leven te zijn opgewekt, door God rechtvaardig worden verklaard, zullen voor eeuwig leven en zegeningen van Jehovah ontvangen, alhoewel zij net als de engelen sterfelijk zijn.
Hoewel het dus waar is dat de 144.000 die tot hemels leven worden opgewekt, niet zullen huwen, is het duidelijk dat Jezus in Lukas 20:34-36 niet sprak over deze kleine groep van mensen die een opstanding zullen ontvangen. Integendeel, in overeenstemming met de gestelde vraag sprak hij over de aardse opstanding en hoe de omstandigheden zullen zijn voor de miljarden mensen die uit de dood tot aards leven zullen worden opgewekt.
Uit de brieven die wij hebben ontvangen, blijkt dat deze gevolgtrekking voor sommigen moeilijk te aanvaarden is, gezien de grote rol die menselijke gevoelens hierin spelen. Hoewel wij van harte meeleven met degenen die hun partner in de dood hebben verloren, moeten wij eerlijk erkennen dat de hierboven gemaakte gevolgtrekking aldus door de Schrift wordt aangegeven. Daar dit alles is wat Gods Woord hierover zegt, kunnen wij, wanneer ons wordt gevraagd wat de bijbel over dit onderwerp aangeeft, deze kwestie niet anders dan op deze wijze toelichten.
Wanneer iemand er evenwel moeite mee heeft deze schriftuurlijke verklaring te aanvaarden, zou het dan verstandig zijn door deze zaak van streek te geraken en door deze kwestie zijn geloof te laten aantasten? Neen, het zou veel beter zijn deze dingen aan God over te laten. Jehovah is een God van liefderijke goedheid, begrip en mededogen (Ex. 34:6; Job 12:13; Jes. 60:10). Hij zal niet onrechtvaardig handelen tegenover degenen die zijn goedkeuring wegdragen, zoals Elihu tegen Job zei: „Ja waarlijk, God handelt niet onrechtvaardig, de Almachtige buigt het recht niet” (Job 34:12). Hoewel mensen nu misschien denken dat zij ook later zekere behoeften en wensen zullen hebben, heeft niemand ooit persoonlijk onder de volmaakte omstandigheden geleefd die God de mensheid in het vooruitzicht stelt. Hij weet wat volmaakte mensen nodig hebben, en wij kunnen er geheel op vertrouwen dat hij in alle behoeften van zowel zijn „kinderen der opstanding”, als de overlevenden van Armageddon, zal voorzien. Wij kunnen ervan verzekerd zijn dat de geïnspireerde woorden in Psalm 145:16 dan waar zullen blijken te zijn: „Gij doet uw hand open en verzadigt met welbehagen al wat leeft.” Wat God aan allen die hem liefhebben en hem getrouw dienen, heeft beloofd, eeuwig leven in vrede, gezondheid, geluk en tevredenheid, zal het eigendom zijn van allen die in de nieuwe ordening zijn goedkeuring genieten. Wat een vreugde zal het zijn om te gaan met vrienden en familieleden die door de christelijke banden der liefde en de dienst voor Jehovah verbonden zijn. Dat zal waarlijk een rijk en voldoening gevend leven zijn!
De bijbel verschaft ons niet alle bijzonderheden over de opstanding en hoe zulke taken als familiekwesties en kinderopvoeding in het nieuwe samenstel van dingen op aarde zullen worden geregeld. Wij kunnen er evenwel zeker van zijn dat Jehovah datgene zal doen wat liefdevol en absoluut rechtvaardig is. Hij zal zelfs in zulk een mate volmaakt en juist handelen, dat wij ons er in onze onvolmaakte geest zelfs geen voorstelling van kunnen maken. Derhalve kunnen wij in geloof afgaan op Mozes’ woorden in Deuteronomium 32:4: „De Rots, wiens werk volkomen is, omdat al zijn wegen recht zijn; een God van trouw, zonder onrecht, rechtvaardig en waarachtig is Hij.”