In „het huis van onze God” blijven aanbidden
HOEZEER is het gevallen menselijke vlees geneigd toe te geven aan het materialisme en de geestelijke belangen en zegeningen over het hoofd te zien en er aldus toe te vervallen, Jehovah’s huis te veronachtzamen, zoals de joden dit deden in Nehemia’s dagen! Ten einde ons te helpen ons voor deze fout te hoeden, dient ons motto te zijn „In ’het huis van onze God’ blijven aanbidden”. — Neh. 10:39, NW.a
Strikt gesproken, is „het huis van onze God” thans natuurlijk de christelijke gemeente, waarvan tot op de huidige tijd nog slechts een „overblijfsel” bestaat (Ef. 2:19-22). Maar verbonden met het overblijfsel is een „grote schare” mensen over wie de apostel Johannes schreef dat zij „dag en nacht heilige dienst voor [God verrichten] in zijn tempel” (Openb. 7:15). In „het huis van onze God” blijven aanbidden, zou derhalve betekenen, een aandeel te hebben aan de aanbidding die wordt beoefend door de plaatselijke christelijke gemeente welke onder leiding staat van het overblijfsel, zoals dit wordt vertegenwoordigd door de „getrouwe en beleidvolle slaaf”. — Matth. 24:45-47.
Hoe kunnen christenen individueel in „het huis van onze God” blijven aanbidden? Allereerst, door getrouw elke week alle gemeentevergaderingen te bezoeken en zich hier niet gemakkelijk door hinderpalen van te laten afhouden. Meer dan dat, door zich op zulke vergaderingen voor te bereiden en dan een aandeel aan de aanbidding te hebben door de liederen mee te zingen en commentaar te geven wanneer de gelegenheid hiertoe bestaat. Natuurlijk is hierbij eveneens inbegrepen het bidden voor Gods huis, dat hij het mag zegenen, voorspoed mag schenken en rein mag houden.
Bovendien kunnen christenen in Gods huis blijven aanbidden door bij te dragen in de onkosten van het onderhouden van Koninkrijkszalen, waarvan er meer dan 24.000 over de gehele wereld zijn; waardoor zij helpen de huur te betalen, rekeningen te voldoen voor licht en verwarming, enzovoorts. En dan is er nog de aangelegenheid van het presentabel houden van de Koninkrijkszaal, door deze vrij van stof en vuil te houden.
Wat niet over het hoofd gezien mag worden, is het feit dat „het huis van onze God” het centrum van de predikingsactiviteit is, voor het brengen van slachtoffers van lof. Een aandeel te blijven hebben aan de aanbidding in dit huis zou derhalve inhouden, van huis tot huis te gaan en op andere manieren het goede nieuws van Gods koninkrijk te prediken. Op al zulke manieren kunnen ware christenen hun deel doen om in Gods huis te blijven aanbidden, tot zijn heerlijkheid en tot hun eigen eeuwige welzijn. — Hebr. 13:15.
[Voetnoot]
a Zie voor details De Wachttoren van 15 februari 1966.