Vragen van lezers
● Nadat Jehovah de eerstgeborenen van Egypte met de dood had geslagen, deelde Farao ten slotte de Israëlieten mee dat zij Egypte konden verlaten. Hij zei: „Gaat! En wilt ook mij zegenen” (Ex. 12:32). Wat bedoelde Farao hiermee?
Farao bedoelde helemaal wat hij zei — hij wenste een zegen. Nadat hij de Israëlieten toestemming had gegeven met al hun kleinvee en hun runderen heen te gaan, wenste hij niet dat zij en hun leider, Mozes, hem zouden vervloeken en hem kwaad zouden toewensen terwijl zij vertrokken. Hij was al genoeg geplaagd. Nu gaf hij ten slotte wat de God van Israël van hem eiste. Aangezien de Israëlieten hun kleinvee en runderen verlangden ten einde God offers te brengen, verlangde Farao nu hij deze dieren afstond, dat de Israëlieten wanneer zij hun God Jehovah slachtoffers zouden brengen, eraan zouden denken dat zij ten behoeve van Farao en zijn volk God zouden smeken of zij allen weer mochten genezen van de uitwerking van de vreselijke plagen waarmee zij bezocht waren.
Of Mozes en Aäron en de Israëlieten aan zijn verzoek aandacht hebben geschonken en ten behoeve van hem tot Jehovah hebben gebeden, is een andere kwestie. Dat Farao om iets verzocht, betekende nog niet dat hem die gunst ook werd verleend. Hij toonde het werkelijk niet waard te zijn een zegen te ontvangen die door Mozes en de Israëlieten over hem zou worden uitgesproken, want zijn hart veranderde al weer ten kwade. Dit blijkt wel hieruit, dat hij, na bericht te hebben ontvangen dat de Israëlieten klaarblijkelijk bij de Rode Zee in de val waren gelopen, zijn hele leger verzamelde en hen achternajoeg om hen te verdelgen of in slavernij terug te brengen. Farao verdiende geen zegen. — Ex. 14:5-9.