Vragen van lezers
● Hoeveel wonderen heeft de profeet Elisa verricht, en welke zijn dat? — K. B., Engeland.
Aan de profeet Elisa moeten zestien wonderen toegeschreven worden, vijftien tijdens zijn leven en één na zijn dood. Zijn eerste wonder verrichtte hij toen hij op het water van de Jordaan sloeg en dit zich verdeelde, vlak nadat Elia van hem was weggenomen (2 Kon. 2:14). Zijn tweede wonder was het gezond maken van de waterbron van de stad Jericho die slecht water bevatte en misgeboorten had veroorzaakt (2 Kon. 2:19-22). Door een groep jeugdige delinquenten te vervloeken, met als gevolg dat tweeënveertig van hen werden verscheurd door twee berinnen, verrichtte hij zijn derde wonder (2 Kon. 2:23, 24). Elisa’s vierde wonder was het verschaffen van water voor de uitgehongerde legers van Juda en Israël en dit wonder bleek tot de totale nederlaag van de Moabitische legers te leiden. — 2 Kon. 3:16-26.
Als vijfde wonder voorzag Elisa een weduwe van zoveel eetbare olie dat zij haar schuldeiser kon betalen, waardoor werd voorkomen dat deze haar zoons als slaven weghaalde (2 Kon. 4:1-7). Met zijn zesde wonder beloonde Elisa de voortreffelijke gastvrijheid van een Sunamitische vrouw door ervoor te zorgen dat zij een zoon kreeg, en zijn zevende wonder bestond in het opwekken van die zoon uit de doden (2 Kon. 4:8-37). Elisa’s achtste wonder was het eetbaar maken van een giftige moes door er wat meel aan toe te voegen (2 Kon. 4:38-41). Zijn negende wonder bestond in het voorzetten van twintig gerstebroden aan honderd man, die ervan aten en nog iets overhielden. — 2 Kon. 4:42-44.
Als tiende wonder genas Elisa de Syrische legeroverste Naäman van zijn melaatsheid. Dat hij die melaatsheid over zijn knecht Gehazi bracht omdat deze de wonderkracht van zijn meester Elisa tot een voorwerp van handel maakte, was zijn elfde wonder (2 Kon. 5:1-27). Het doen drijven van een bijlblad dat in het water was gevallen, was Elisa’s twaalfde wonder (2 Kon. 6:5-7). Elisa’s dertiende wonder bestond in het openen van de ogen van zijn dienstknecht opdat deze zou kunnen zien dat het bergland rondom vol vurige paarden en wagens was, waardoor werkelijk werd bewezen dat ’zij die bij ons zijn, talrijker zijn dan zij die bij hen zijn’ (2 Kon. 6:15-17). Elisa’s veertiende en vijftiende wonder werden gevormd door het met geestelijke blindheid slaan van het Syrische leger dat was gekomen om hem gevangen te nemen, zodat de soldaten hem niet konden herkennen, en het herstel van hun geestelijke gezichtsvermogen. — 2 Kon. 6:18-23.
Wat Elisa’s zestiende wonder betreft, dit gebeurde jaren nadat de voorgaande wonderen door hem waren verricht en het wordt aan hem toegeschreven ongeacht het feit dat het plaatsvond nadat hij was gestorven. Enkele Israëlieten waren een dode man aan het begraven toen er toevallig een bende plunderende Moabieten aankwam. De Israëlieten namen het lijk daarom haastig op, wierpen het in Elisa’s graf en liepen weg. Toen het lichaam van de dode man „met het gebeente van Elisa in aanraking kwam, werd hij levend, en rees overeind op zijn voeten”. — 2 Kon. 13:20, 21.
Het is belangwekkend en het vormt een hulp voor ons geheugen dat in het schriftuurlijke verslag twee maal zoveel wonderen van Elisa worden genoemd als van Elia, wiens wonderen in het kort waren: 1. Het afsluiten van de hemel zodat er geen regen viel, 2. het voortdurend vernieuwen van de meel- en olievoorraad van de weduwe te Sarfath, 3. het uit de doden opwekken van de zoon van de weduwe, 4. het, in antwoord op gebed, uit de hemel doen neerdalen van vuur, 5. het, in antwoord op gebed, door regen beëindigen van de droogteperiode, 6. het laten neerdalen van vuur op koning Ahazia’s overste en zijn vijftig mannen, 7. het laten neerdalen van vuur op een tweede overste en zijn vijftig mannen en 8. het scheiden van het water van de Jordaan door er met zijn officiële gewaad op te slaan, vlak voordat hij in de vurige wagen werd weggenomen.
● Waarom schrijven Matthéüs en Markus dat de transfiguratie zes dagen nadat Jezus zijn discipelen een bepaalde belofte had gedaan, plaatsvond, terwijl het Evangelie van Lukas zegt dat deze gebeurtenis acht dagen later plaatsvond? — J. S., Verenigde Staten.
Klaarblijkelijk hebben Matthéüs en Markus de eerste en de laatste dag niet meegeteld; in plaats daarvan hebben zij zes hele dagen geteld tussen de belofte van de Heer Jezus aan zijn apostelen en de transfiguratie zelf (Matth. 17:1; Mark. 9:2, NW). Wij dienen op te merken dat Lukas niet beweert dat de door hem genoemde tussentijd nauwkeurig is. Hij bericht dat de transfiguratie „ongeveer acht dagen na deze woorden” plaatsvond (Luk. 9:28, NW). Daar Lukas gedeelten van de eerste en de laatste dag als hele dagen telt, geeft hij er de voorkeur aan de periode in een rond getal uit te drukken — „ongeveer acht dagen”. Lukas vermeldt het aantal dagen dus gezien vanuit een ander standpunt en er is werkelijk geen sprake van een tegenstrijdigheid.