Vragen van lezers
● Hoe moeten wij, daar de Logos, de voormenselijke Jezus, zich niet onder de engelen bevond die door Jehovah werden gebruikt om Gods wet aan Mozes over te dragen, Exodus 23:20-23 begrijpen, waar gesproken wordt over een engel die de naam van Jehovah in zich had?
Dat de Logos, Gods Zoon, zich niet onder de engelen bevond die door God werden gebruikt toen hij zijn wet aan Mozes overdroeg, blijkt duidelijk uit de woorden van Paulus in Hebreeën 2:2, 3 (NW): „Indien het woord dat door bemiddeling van engelen werd verkondigd, vast bleek te zijn, en elke overtreding en ongehoorzame daad een vergelding ontving in overeenstemming met gerechtigheid, hoe zullen wij dan ontkomen indien wij een zo grote redding hebben veronachtzaamd, die immers het eerst werd verkondigd door bemiddeling van onze Heer en welke voor ons werd bevestigd door hen die hem gehoord hadden?” Hieruit volgt daarom dat de éngelen toen werden gebruikt en dat dit niet het geval was met Gods Zoon, de voormenselijke Jezus.
Dit sluit evenwel niet de mogelijkheid uit dat de Logos in Gods betrekkingen met Israël in de een of andere speciale hoedanigheid is gebruikt. In Exodus 23:20-23 staat het volgende: „Zie, Ik zend een engel vóór uw aangezicht, om u te bewaren op den weg en om u te brengen naar de plaats, die Ik bereid heb. Neem u voor hem in acht en luister naar hem, wees tegen hem niet wederspannig, want hij zal uw overtredingen niet vergeven, want mijn naam is in hem. Maar indien gij aandachtig naar hem luistert, en alles doet, wat Ik zeg, zal Ik uw vijanden vijandig bejegenen, en benauwen die u benauwen. Want mijn engel zal voor uw aangezicht gaan.” Het is redelijk te concluderen dat deze engel, van wie Jehovah zegt dat ’zijn naam in hem is’, Jezus Christus in zijn voormenselijke geestenbestaan was (1 Kor. 10:1-4, NW). Jezus, wiens naam „Jehovah is redding” betekent, is de voornaamste om de glorierijke naam van zijn Vader hoog te houden en te rechtvaardigen.
Van de engel die Gods naam in zich had, wordt niet gezegd dat hij Israël zijn stelsel van wetten gaf, doch veeleer dat hij de Israëlieten op hun tocht naar het Beloofde Land leidde. Aldus sluiten Paulus’ woorden in Hebreeën 2:2, 3 (NW) niet de grote waarschijnlijkheid uit dat de engel van Exodus 23:20-23 Jezus Christus in zijn voormenselijke geestenbestaan was.
● Waarom werd Aäron niet gestraft voor het feit dat hij voor de Israëlieten een gouden kalf maakte om te aanbidden? — A. F., Californië, V.S.
Exodus 32:1-6 laat zien dat Aäron dit op verzoek van het volk deed en dat er tamelijk algemeen aan de overtreding werd meegedaan, want Jehovah werd ertoe gebracht tot Mozes te zeggen: „Laat Mij begaan, dat mijn toorn tegen hen ontbrande en Ik hen vernietige” (32 vs. 10). Hoewel het waar is dat Aäron bij deze afgoderij met de opstandigen samenwerkte, wekt 32 vers 25 de indruk dat de overtreding met een bepaald doel zou zijn toegestaan: „Daar Mozes zag, dat het volk teugelloos was — want Aäron had het den vrijen teugel gelaten, tot spot voor hun tegenstanders — ging Mozes staan in de poort van de legerplaats en zeide: Wie is voor den HERE? Die kome tot mij! en tot hem verzamelden zich al de Levieten” (Ex. 32:25-27). Aäron was een leviet, en wij mogen aannemen dat hij bij deze gelegenheid te zamen met de andere levieten zijn standpunt vóór Jehovah en tegen degenen die Mozes toen tegenstonden, heeft ingenomen. Ongeveer drieduizend personen werden wegens deze afgoderij gedood. Velen meer hadden zich er echter aan schuldig gemaakt, want nadat de drieduizend waren verdwenen, herinnerde Mozes de Israëlieten eraan dat zij zwaar hadden gezondigd. Aäron was dus niet de enige die in deze aangelegenheid Jehovah’s barmhartigheid had ontvangen. De bijna drieduizend personen die omkwamen, waren klaarblijkelijk de aanvoerders die een begin hadden gemaakt met het afgodische waagstuk en zich tegen een terechtwijzing hadden verzet; zij waren niet op nederige wijze berouwvol geweest, hadden niet erkend dat zij verkeerd hadden gehandeld en hadden uiteindelijk niet Jehovah’s zijde gekozen. Zij verdienden geen barmhartigheid. Aäron gedroeg zich echter anders, toonde dat hij innerlijk geen sympathie koesterde voor de afgoderij en alleen op aanstichting van de menigte had gehandeld; hij stond pal voor Jehovah toen Mozes het ware karakter van deze zaak aan het licht bracht. — Ex. 32:28-35.