Vragen van lezers
● Is Matthéüs 24:19 van toepassing op personen binnen de christelijke gemeente of op personen buiten de gemeente? — E.N., Verenigde Staten.
Zwangere vrouwen en vrouwen met pasgeboren baby’s zouden het bijzonder moeilijk krijgen door de zware tijden die door Christus werden voorzegd toen hij in Matthéüs 24:19 zei: „Wee de zwangere vrouwen en hen die een klein kind zogen, in die dagen!” In overeenstemming met zijn woorden kregen zwangere vrouwen en vrouwen die een baby aan de borst hadden buitengewoon grote ellende te verduren toen Romeinse strijdkrachten in 70 G.T. Jeruzalem overvielen en de joden een verpletterende nederlaag toebrachten. Duizenden personen werden gemarteld en stierven. Er heerste hongersnood, wat op zich reeds een verschrikking was. Over de manier waarop de opruiers hun eigen mede-joden toen behandelden, schreef Josephus:
„Grijsaards, die de spijzen met de tanden vasthielden, werden geslagen; vrouwen, wanneer zij, wat zij in de handen hadden, verbergen wilden, werden aan de haren rondgesleurd. Noch met de grijsheid noch met de kindsheid had men medelijden. Kinderen, die aan hunne bete hingen, werden opgenomen en tegen den grond geslagen.” — Geschiedenis van den Joodschen oorlog, Boek V, Hoofdstuk X, par. 3.
Denkt u zich eens in dat daar moeders bij stonden, gedwongen toe te zien hoe wreed hun eigen kinderen, zelfs kleuters, werden behandeld. Denk ook aan de onvoorstelbare smart die deze moeders doorgemaakt moeten hebben als zij hen voor hun eigen ogen zagen afslachten, want dat gebeurde ook! Wegens haar emotionele gesteldheid is het heel vanzelfsprekend dat een vrouw van innige bezorgdheid voor degenen die zij liefheeft, voor de leden van haar eigen familie, blijk geeft. Hoeveel groter is dan haar bezorgdheid wanneer verschrikkelijke omstandigheden het welzijn en het leven van haar kinderen bedreigen! Laten wij het lijden van vrouwen in die tijd dus niet bagatelliseren. Voor de vrouwen die zwanger waren, was alles vanzelfsprekend moeilijker. In een tijd van rampspoed laten moederlijke beschermende instincten zich zoveel te meer gelden. Stelt u zich daarom het intense lijden, het gevoel van volkomen machteloosheid eens voor van die zogende moeders in Jeruzalem in de eerste eeuw als zijzelf wreedheden te verduren kregen en als zij getuige waren van het lijden van hun kinderen! Het was beslist een tijd van wee voor zwangere vrouwen en vrouwen die een baby aan de borst hadden!
Mensen kunnen de liefde van een moeder heel goed begrijpen. Zo voelde Paulus zich bijvoorbeeld geroepen zijn vriendelijkheid tegenover christenen in Thessaloníka te illustreren met de woorden: „Integendeel, wij zijn in uw midden vriendelijk geworden, zoals wanneer een zogende moeder haar eigen kinderen koestert” (1 Thess. 2:7). Wij kunnen ook gemakkelijk de intense bezorgdheid van een zwangere vrouw of van een moeder met een pasgeboren baby begrijpen om wat haar kind in een kritieke tijd zou kunnen overkomen. In Matthéüs 24:19 bracht Jezus dus in menselijke en heel begrijpelijke termen onder woorden welke uitwerking de dingen die moesten geschieden op de mensen zouden hebben. Er zouden grote moeilijkheden rijzen. Er stonden bijzonder smartelijke tijden voor de deur.
Christus’ woorden van wee voor zwangere en zogende vrouwen zijn op onze tijd van toepassing. De voornaamste vervulling van deze profetie vindt in deze laatste dagen plaats. En Jezus’ verklaring is in het bijzonder van toepassing op personen buiten de christelijke gemeente. De dagen die ons nog resten voordat deze oude wereld in Armageddon haar einde zal vinden, zullen dagen van wee en ontberingen zijn. Het zullen voor niemand gemakkelijke tijden zijn.
Er zij echter opgemerkt dat Jezus Christus in Matthéüs 24:19 niet besprak of het passend was dat christelijke echtparen in deze laatste dagen kinderen zouden krijgen. Christenen staan thans niet onder het gebod kinderen voort te brengen, maar zij staan ook niet onder het gebod ze niet te krijgen. Dit is een zaak die huwelijkspartners zelf moeten beslissen. Het is iets wat alleen hun aangaat. — Gal. 6:5.
Naarmate deze wereld haar einde nadert, staan alle mensen moeilijkheden te wachten. Tot hen behoren beslist ook zwangere vrouwen en zij die een baby aan de borst hebben. Indien zwangere vrouwen of vrouwen met kleine kinderen zich er door deze situatie van laten weerhouden deze wereld te ontvlieden en zich door bemiddeling van Christus aan God op te dragen, zullen zij de goddelijke bescherming moeten ontberen. Doch moeders die de nog resterende tijd te baat nemen om naar Jehovah’s „berg” van veiligheid te vluchten, zullen beschermd worden. Zij zullen wel ontberingen lijden, zeker, maar Jehovah’s bescherming kan zich tot hen uitstrekken en tot hun kinderen, geboren en ongeboren. — Ps. 91:7, 8, 14-16.
● Zou het juist zijn de uitdrukkingen „andere schapen” (Joh. 10:16) en „grote schare” (Openb. 7:9) altijd als synoniemen te gebruiken? — G.S.
Neen, dit zou schriftuurlijk gezien niet juist zijn. Allen die de „grote schare” uit Openbaring 7:9 vormen, zijn „andere schapen”, maar niet alle „andere schapen” uit Johannes 10:16 maken deel uit van de „grote schare”. Deze uitdrukkingen zijn niet volkomen synoniem.
Alle personen die Gods goedkeuring genieten, kunnen schriftuurlijk als schapen worden beschouwd. En Jezus Christus zei: „Ik doe afstand van mijn ziel ten behoeve van de schapen” (Joh. 10:15). Terwijl er een „kleine kudde” van 144.000 „schapen” is met het vooruitzicht op een opstanding tot hemels leven, hebben vele andere met schapen te vergelijken personen het vooruitzicht op leven op aarde in Gods beloofde nieuwe ordening (Luk. 12:32; Openb. 14:1-4; Ps. 37:11, 29). Alle personen met een aardse hoop en aardse mogelijkheden worden in Johannes 10:16 de „andere schapen” genoemd, ter onderscheiding van de „schapen” die hemels leven wordt geschonken. Tot de aardse „andere schapen” zullen getrouwe mannen uit oude tijden behoren, zoals Abraham, David en Daniël (Hebr. 11:8-19, 32-35; Dan. 12:13). Vele anderen die tijdens Christus’ duizendjarige regering een opstanding krijgen, zullen van gehoorzaamheid aan God blijk geven en aldus laten zien dat ook zij „andere schapen” van de Voortreffelijke Herder zijn. Deze uitdrukking is ook van toepassing op de „grote schare” van rechtvaardig gezinde personen die het verwoestende einde van dit samenstel van dingen overleven en op alle rechtvaardige nakomelingen die hun tijdens Christus’ duizendjarige regering worden geboren.
„Andere schapen” is dus een veelomvattende term. De „grote schare” vormt echter slechts een deel van de klasse der „andere schapen”. Openbaring 7:9, 14 vertelt ons: „Na deze dingen zag ik, en zie! een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natiën en stammen en volken en talen, staande voor de troon en voor het Lam, gehuld in lange witte gewaden, en er waren palmtakken in hun handen. . . . ’Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen, en zij hebben hun lange gewaden gewassen en hebben ze wit gemaakt in het bloed van het Lam.’” Opmerkenswaardig is het feit dat de leden van de „grote schare”, die van de 144.000 leden van het geestelijke Israël worden onderscheiden, „uit de grote verdrukking komen” die kenmerkend is voor de „laatste dagen” (Matth. 24:20, 21). De „grote schare” uit Openbaring 7:9 is er niet vóór ’de tijd van het einde’ uit gekomen.
De uitdrukking „andere schapen” omvat dus alle rechtvaardig gezinde personen met aardse vooruitzichten, en de „grote schare” is erbij inbegrepen. De „grote schare” wordt echter slechts gevormd door de met schapen te vergelijken personen met een aardse hoop die zich in de tijd welke gekenmerkt wordt door de „grote verdrukking” waarmee deze laatste dagen gepaard gaan, bij Jehovah Gods aardse organisatie hebben aangesloten.