Vragen van lezers
● Waarom gebruikt de Nieuwe-Wereldvertaling van de Christelijke Griekse Geschriften in Filippenzen 3:11 het woord „vroegere”? Ik ben het in geen enkele andere vertaling tegengekomen. — M.C., Verenigde Staten.
Filippenzen 3:11 luidt volgens de Nieuwe-Wereldvertaling van de Christelijke Griekse Geschriften: „Om te zien of ik op de een of andere wijze tot de vroegere opstanding uit de doden moge geraken.” De Nieuwe Vertaling van het Nederlandsch Bijbelgenootschap geeft in vers 10 en 11 te lezen: „Of ik . . . zou mogen komen tot de opstanding uit de doden.” Marshalls Interlinear Greek-English New Testament, dat op Nestles tekst is gebaseerd, vertaalt de desbetreffende uitdrukking in zijn interlineaire vertaling met „de uit-opstanding”. En de Emphasized Bible van J. Rotherham luidt als volgt: „Indien ik in enigerlei opzicht moge voortgaan tot de vroegere opstanding, welke vanuit de doden is.” In de voetnoot bij deze tekst staat: „Letterlijker: ’de uit-opstanding.’”
Het Griekse woord dat hier is gebruikt, is niet anástasis, het woord dat bijna onveranderlijk in het Grieks staat wanneer de Nederlandse vertaling „opstanding” te lezen geeft en dat ruim veertig keer in de christelijke Griekse Geschriften voorkomt. Het is veeleer het woord exanástasis; terloops zij opgemerkt dat dit woord alleen maar in deze tekst voorkomt. In de voetnoot van de vertaling van S. P. Lipman (1869) staat in dit verband: „De opstanding (ἐξανάστασιν dit compositum alleen hier in het N.T.) uit de dooden [de Textus Receptus heeft: der dooden; doch de meeste latere Critici en Tekstuitgevers, b.v. Griesbach, Scholz, Lachmann, Tischendorf, Reithmayr, vereenigen zich met de Vulgata]. De grondbetekenis van het Griekse woord exanástasis is: vroeg in de ochtend opstaan, en het wekt de gedachte aan vroegtijdigheid en daarom aan een vroeger opstaan uit de doden. Ongetwijfeld had Paulus hier de „eerste opstanding” in gedachten, die later door Johannes in Openbaring 20:6 (NW) wordt genoemd: „Gelukkig en heilig is een ieder die deel heeft aan de eerste opstanding.”
Door onderscheid te maken tussen anástasis en exanástasis geeft de Nieuwe-Wereldvertaling van de Christelijke Griekse Geschriften ook nu weer blijk van haar exactheid en nauwkeurigheid. Natuurlijk zullen degenen die niet beseffen dat er niet alleen een eerste en hemelse opstanding, maar tevens een latere en aardse opstanding is, dit onderscheid niet belangrijk vinden, maar het is wel belangrijk voor hen die van de betekenis ervan doordrongen zijn, ook al betreft het hier het enige geval waarin Paulus dit woord in zijn geschriften gebruikt.
● Hoe moeten wij het deel van Micha 4:3 (NW) opvatten dat luidt: „Hij zal stellig tussen vele volken oordelen en aangelegenheden rechtzetten betreffende machtige natiën ver weg”? — L. S, Verenigde Staten.
Dit deel van Micha’s profetie moet in overeenstemming met het verband waarin het staat, worden gezien. In Micha 4:2 (NW) lezen wij dat „vele natiën” zullen zeggen: „Komt, en laten wij opgaan naar de berg van Jehovah en naar het huis van de God van Jakob; en hij zal ons onderrichten aangaande zijn wegen, en wij zullen in zijn paden wandelen.” Met deze vele natiën en mensen worden niet de politieke natiën en regeringen als zodanig bedoeld. Deze natiën en mensen zijn veeleer de individuele gelovigen uit alle politieke natiën die naar Jehovah’s berg komen, zoals ook uitdrukkelijk in Openbaring 7:9 wordt verklaard.
4 Vers drie van Micha’s vierde hoofdstuk, waar staat dat Jehovah stellig tussen „vele volken” zal oordelen en aangelegenheden zal rechtzetten betreffende „natiën ver weg”, wil dus niet zeggen, dat Jehovah zich gaat mengen in de aangelegenheden van de politieke natiën. Er wordt veeleer bedoeld, dat hij in geestelijk opzicht ten behoeve van de gelovigen die uit de politieke natiën zijn gekomen en hun standpunt voor Jehovah’s koninkrijk hebben ingenomen, oordeelt en aangelegenheden rechtzet.
Deze personen schikken zich naar deze oordelen door te doen wat 4 vers drie verder verklaart: „En zij zullen hun zwaarden tot ploegscharen moeten slaan en hun speren tot snoeimessen. Zij zullen geen zwaard opheffen, natie tegen natie, noch zullen zij de oorlog meer leren.”
Ware christenen doen dit in overeenstemming met de Resolutie die zij in 1958 op hun ’Goddelijke wil’-vergadering hebben aangenomen, en waarin onder andere werd gezegd, „dat wij, figuurlijk gesproken, onze zwaarden tot ploegscharen en onze speren tot snoeimessen hebben omgesmeed en dat wij, ondanks dat wij van zo vele nationaliteiten zijn, geen zwaard tegen elkaar zullen opheffen omdat wij christelijke broeders en leden van Gods ene familie zijn; ook zullen wij de oorlog tegen elkaar niet meer leren maar wij zullen in vrede, eenheid en broederlijke liefde in Gods paden wandelen”.