Vragen van lezers
● Op bladzijde 129 van het boek Van het verloren naar het herwonnen paradijs staat dat Johannes alleen was toen Jezus naar hem toe kwam om gedoopt te worden. Op grond waarvan wordt dit gezegd? — J.B., V.S.
Alhoewel er geen schriftuurplaats is waarin dit specifiek wordt gezegd, wijst het gehele schriftuurlijke getuigenis toch in die richting. Jehovah God gaf Johannes de Doper de opdracht om Jezus als het Lam Gods te introduceren. Opdat Johannes de Messias bij diens komst zou kunnen identificeren en hem aldus op overtuigende wijze aan zijn joodse metgezellen zou kunnen voorstellen, zei Jehovah God tot Johannes dat degene op wie hij de geest van God zou zien neerdalen, de beloofde Messias, degene die met heilige geest doopt, zou zijn. — Joh. 1:29-34.
Aangezien dit voor Johannes een teken moest zijn om hem ertoe bekwaam te maken zijn opdracht ten uitvoer te brengen, kan men hieruit dus de gevolgtrekking maken dat anderen hier geen getuige van zijn geweest daar zij zulk een opdracht niet hadden ontvangen. Indien er trouwens een grote schare mensen bij aanwezig was geweest en zij het voorgevallene hadden gezien en gehoord — namelijk dat de heilige geest in de gedaante van een duif neerdaalde en op Jezus rustte, en dat Jehovah’s stem uit de hemel bekendmaakte: „Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wien Ik mijn welbehagen heb” — zou dit zo’n sensatie hebben teweeggebracht dat het dadelijk rondgebazuind zou zijn en allen in Galiléa en Judéa ervan afgeweten zouden hebben. Zou zulks het geval zijn geweest, dan zou bovendien stellig ten minste één van de evangelieschrijvers hebben opgetekend welke uitwerking dit wonder had op de menigte die er getuige van was. Ofschoon er daarom geen specifieke schriftuurplaats is waarin met zoveel woorden wordt gezegd dat Johannes en Jezus ten tijde van Jezus’ doop alleen waren, is dit de logische gevolgtrekking welke wordt verkregen uit het schriftuurlijke getuigenis dat op het onderwerp betrekking heeft. — Matth. 3:16, 17.
Het is in dit verband eveneens interessant op te merken, dat toen Jehovah het wederom verkoos een soortgelijk getuigenis omtrent Jezus af te leggen, Jezus slechts drie van zijn meest geliefde apostelen met zich meenam om van dit wonder getuige te zijn. Dit geschiedde tijdens de verheerlijking op de berg, toen Jehovah soortgelijke woorden sprak, namelijk: „Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wien Ik mijn welbehagen heb; hoort naar Hem!” — Matth. 17:1-5.
● Op grond van welke autoriteit wordt in de New World Translation in de boeken Genesis, Exodus en Daniël de uitdrukking „magie beoefenende priesters” gebruikt? In geen enkele andere vertaling kan ik deze uitdrukking vinden. — L.B., Verenigde Staten.
Het Hebreeuwse woord dat in Genesis, Exodus en Daniël — zoals bijvoorbeeld in Genesis 41:8 (NW) — met „magie beoefenende priester” is vertaald, is hhartumimʹ. In de Lexicon in Old Testament Books door Koehler en Baumgartner, wordt dit woord in Deel 1, op bladzijde 333, kolom 1, gedefinieerd als „epitheton van magie beoefenende priesters”, terwijl daarin tevens wordt getoond waarvan het woord in de oudheid is afgeleid. Ook wordt erin gesuggereerd om het woord in vertalingen met „waarzegger-priesters” te vertolken. Deze lexicon werd in 1951 in zijn geheel uitgegeven.
Deze vertolking van de New World Translation is derhalve — in overeenstemming met het feit dat ze een letterlijke vertaling is — zowel letterlijk als duidelijk.