De eeuw van opstandigheid
IN GEEN enkele generatie heeft er meer opstandigheid bestaan dan in de onze. Wij maken allerlei vormen van opstandigheid mee, maar wel in het bijzonder opstandigheid van de jeugd. Ons huidige tijdperk van opstandigheid zou heel goed „de opstand van de jeugd” genoemd kunnen worden, ware het niet dat de opstandigheid der volwassenen deze ernstige toestand heeft veroorzaakt. De ene opstandigheid legt het fundament voor een andere.
„Wat de opstandigheid van de huidige jeugd zo ernstig maakt”, aldus rechter E. Adlow van Bostons plaatselijke rechtbank, „is, dat ze zo weinig gelijkenis vertoont met dat wat wij eens voor jeugdmisdaad aanzagen.” Hij verklaarde dat „de gewelddadigheid waaraan jongeren zich thans overgeven, onmogelijk meer met het kattekwaad der jeugd verward kan worden”. „Het komt er op neer”, aldus de psycholoog dr. R. Lindner, „dat de opstand der jongeren niet een normale maatschappelijke kwaal is, maar een kwaadaardige epidemische aantasting van het menselijke ras.” Ieder land heeft zo haar eigen uitdrukking voor de hedendaagse jeugdige misdadigers.
Men heeft de jeugdige oproerkraaiers in twee hoofdgroepen verdeeld. In de ene groep treffen wij de overtreders aan die neiging tot gewelddadigheid bezitten, in de andere groep degenen die in opstand komen tegen beperkende bepalingen, opdat zij zich kunnen laten leiden door hun sensuele verlangens en van de opwinding van het moment kunnen genieten. Deze laatste groep wordt ook wel de „Beat Generation” genoemd. Vanaf het moment dat de spoetniks van de Sowjet-Unie de ruimte ingingen, werden deze jeugdige opstandigen in de V.S. als „beatniks” betiteld. Autoriteiten maken een onderscheid tussen jeugdige misdadigers en de zogenaamde beatniks, daar de laatsten er zekere geloofspunten, zienswijzen en overtuigingen ten aanzien van het leven en de maatschappij op na houden.
In het Current Affairs Bulletin van 7 december 1959, verscheen een artikel met de titel „The ’Beat’ Generation”, gepubliceerd door een afdeling van de universiteit van Sydney in Australië. Het artikel zette uiteen dat de „Beat Generation” vlak na de tweede Wereldoorlog was verschenen. „Jack Kerouac, de bekendste schrijver en profeet van deze Amerikaanse groep, smeedde de uitdrukking ’Beat Generation’. Zijn roman On the Road beschrijft de levenswijze van hemzelf en een groepje vrienden en probeert hun volkomen eigen gezichtspunt weer te geven. Een groepje fiere jonge mannen trekt al liftend of met tweedehands wagens kriskras door de Verenigde Staten, gaat naar wilde feesten . . ., leeft van heel weinig of niets, steelt zo nu en dan eens en spreekt altijd intens over liefde, God en redding, luistert in kleine, volle gelegenheden vurig naar jazz en maakt zonder terughouding gebruik van toeschietelijke, mooie meisjes die men toevallig ontmoet. . . . Het najagen van een ’onmiddellijke ervaring’ houdt in dat zij de eerste plaats toekennen aan seksuele vrijheid. . . . Evenals vele jazz-enthousiastelingen, geeft de Beat Generation zich ook over aan marihuana, morfine en andere verdovende middelen. . . . De beatnik is niet zo zeer een verslaafde, als wel een ironische en vrije bewonderaar van zijn staat van gelukzaligheid.”
Om van hun eigen paradijs op aarde te genieten, leven de beatniks van de sensaties van het moment. Deze „nieuwe groep van opstandigen” leidde volgens de publikatie van de universiteit van Sydney, tot 1957 een ondergronds bestaan. Door het publiceren van de roman van Kerouac, kregen zij in dat jaar als het ware een bijbel: „’De enige mensen die voor mij iets betekenen, zijn degenen die ergens gek op zijn’, zegt Sal Paradise, de verteller in On the Road, ’degenen die er gek op zijn te leven, te spreken en gered te worden, die tegelijkertijd naar vele dingen verlangen, degenen die nooit gapen of in hun spreken gemeenplaatsen gebruiken, maar die branden, branden, branden als fabelachtige gele kaarsen die in alle richtingen uiteenspatten tegen de sterrenhemel.’ . . . Het boek probeert ook de onveranderlijke tegenstelling in interesse onder woorden te brengen die er bestaat tussen mensen die zonder remmen genieten, die zoveel mogelijk van het leven profiteren en een degelijke levenswijze verachten, en zij die er zich door scrupules van laten weerhouden hun impulsen na te volgen en al hun begeerten te bevredigen.”
Het artikel zegt dat de opstand der beatniks „op zeer uitgebreide schaal een roep laat weerklinken met betrekking tot de industriële beschaving” en voegt er aan toe: „De romantische overtuiging dat ieder jeugdig persoon een unieke zending heeft, als hij of zij alleen maar zou weten welke, heeft in het algemeen een enthousiasme voor vage ideeën in het leven geroepen welke voor een deel de plaats innemen van een stervende religie. Kerouac is bekend om de wijze waarop hij er sterk de nadruk op legt, dat de basis voor de Beat Generation religieus is: zichzelf te vinden is God te vinden.”
Wie draagt er dan de schuld voor de hedendaagse jeugdige opstandelingen? Het geheel is terug te voeren tot de opstand van de volwassenen — de echtgenoten, de vrouwen en, ja ook, de geestelijken der christenheid.
Vrouwen die tegen het leiderschap van hun echtgenoot in opstand komen, komen in werkelijkheid tegen God in opstand, want hij heeft in zijn Woord het bevel gegeven: „Vrouwen, weest aan uw man onderdanig als aan den Here” (Ef. 5:22). Vaders die hun kinderen niet opvoeden „in de tucht en in de terechtwijzing des Heren”, komen tegen God in opstand (Ef. 6:4). Wanneer de ouders zelf in opstand komen, raakt de huiselijke discipline en de band van eenheid in verval; op deze wijze is dan het fundament gelegd voor de opstand der jeugd.
Ook de geestelijken bezitten niet de kracht om de opstand der jeugd te bedwingen, daar zijzelf tegen God in opstand zijn gekomen. De fundamentalistische geestelijke heeft, in lijnrechte tegenstelling tot de bijbel, overleveringen en filosofieën van mensen aan dit Woord toegevoegd. De modernistische geestelijke is tegen God in opstand gekomen door de bijbel te verwerpen en de moderne mens op een voetstuk van aanbidding te plaatsen. Daar zij vinden dat de religiën der christenheid „stervende” zijn, hebben de beatniks hun eigen religie ontwikkeld. Zij komen dus ook tegen God en zijn geboden in opstand, maar zij hebben ook geen leiding ontvangen van de moderne maatschappij daar deze zelf door haar handelwijze toont God te hebben verworpen.
De christenheid zelf is ook in opstand gekomen tegen God, want de meeste belijdende christenen zijn, zoals de bijbel hen noemt, „opstandigen tegen het licht” geworden (Job 24:13, NW). De bijbel is een Boek van het Licht, en het „evangelie van het Koninkrijk” dat volgens Jezus „in de gehele wereld gepredikt [zou] worden tot een getuigenis voor alle volken” is een boodschap van licht (Matth. 24:14). Door Gods opgerichte koninkrijk te verwerpen, hebben de belijdende christenen van de christenheid zich tot „opstandigen tegen het licht” gemaakt.
De opstand der jeugd is dus in deze eeuw van opstand voortgebracht. Het is een opstand tegen God, tegen zijn goddelijke geboden en zijn opgerichte koninkrijk.