Vragen van lezers
● Het in Exodus 20:11 opgetekende vierde gebod luidt: „Want in zes dagen heeft de HERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op den zevenden dag.” Is Genesis 1:1 (NW) niet bij de „zes dagen” inbegrepen, aangezien de „zes dagen” de tijd omvatten waarin „de HERE den hemel en de aarde gemaakt” heeft? — W.B., VS.
Neen, die redenering gaat niet op. Zowel de ’dag’ waarvan in Genesis 2:4 (SV) sprake is, als de „zes dagen” van Exodus 20:11, die de gehele scheppingsperiode omvatten vanaf de tijd dat Jehovah God licht op aarde schiep, hebben geen betrekking op de daaraan voorafgaande tijdsperiode waarin de aarde reeds bestond en gedurende welke tijd ze woest en ledig was en in de duisternis was gehuld die de onstuimige wateren bedekte.
Wij mogen niet vergeten dat God gedurende deze scheppingsweek werkelijk hemelen schiep. Deze hemelen worden in het in Genesis 1:6-8 opgetekende verslag van de tweede dag beschreven. Hierin vliegt volgens vers 20 het gevogelte, en in deze hemelen werden ook op de vierde dag de zich in de ruimte bevindende zon, maan en sterren zichtbaar. De aarde werd eveneens binnen deze scheppingsperiode gemaakt of geschapen in de zin dat ze op de derde dag uit de onstuimige wateren te voorschijn werd gebracht (Gen. 1:9, 10). Dit zijn daarom „den hemel en de aarde” waarvan zowel in Genesis 2:4 als Exodus 20:11 sprake is.
● Hoe kan de schijnbare tegenstrijdigheid tussen 1 Samuël 31:4 en 2 Samuël 1:10 worden opgelost? — L.G., Frankrijk.
Het bericht in 1 Samuël 31:4 luidt: „En Saul zeide tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard en doorsteek mij daarmee, opdat deze onbesnedenen niet komen en mij doorsteken en den spot met mij drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, omdat hij ervoor terugschrok. Daarop nam Saul het zwaard en stortte zich er in.” In 2 Samuël 1:10 lezen wij de woorden welke een Amalekiet tot David richt en waarin hij beweert koning Saul op diens verzoek te hebben gedood: „Toen trad ik op hem toe en doodde hem, want ik begreep, dat hij, na eenmaal gevallen te zijn, toch niet in leven zou blijven.”
Wanneer men zijn gedachten even over dit voorval laat gaan, zal het volkomen duidelijk worden. Enerzijds hebben wij hier het geïnspireerde bericht — waarschijnlijk door de profeten Nathan en Gad opgetekend — waarin wordt verteld hoe koning Saul precies stierf. Zij vermelden deze gebeurtenis als een feit. Anderzijds hebben wij de bewering van een heiden, een onbekende jonge Amalekiet, welke bewering in strijd is met het goddelijke bericht. Bestaat er enige reden om het bericht van de geïnspireerde schrijvers in twijfel te trekken? Beslist niet. Is er dan enige reden om de woorden van de heidense jongeman in twijfel te trekken? Jawel, want de redelijke gevolgtrekking is dat hij bij David in de gunst trachtte te komen door het te doen voorkomen alsof hij degene die, toen hij nog leefde, David naar het leven had gestaan, had gedood. Wat hij zei, was daarom een opzettelijke leugen. In plaats dat hij hierdoor evenwel Davids gunst verwierf, werd deze zo toornig dat hij bevel gaf de jongeman neer te slaan omdat hij Jehovah’s gezalfde had gedood. — 2 Sam. 1:15, 16.