Vragen van lezers
● Elk jaar ontvangt het Genootschap betreffende verschillende aspecten van het Avondmaal des Heren een aantal vragen. In antwoord hierop het volgende:
De viering van de dood van onze Heer is zowel een vreugdevolle als een ernstige gebeurtenis. Ze verdient het tot in alle details en vooral van de zijde der gemeenteopzieners, de grootst mogelijke aandacht te krijgen, evenals wij er zeker van mogen zijn dat Jezus alles in verband met de paschaviering nauwgezet verzorgde.
Het brood dat wordt gebruikt, moet ongezuurd zijn. Het ongezuurd zijn van het brood beeldt af dat Jezus zonder zonde was. Zijn lichaam was volmaakt en volledig, er behoefde niets aan te worden toegevoegd. Evenzo zal bij het bereiden van het ongezuurde brood niets — zoals zout of elk middel dat wordt gebruikt om baksel bros te maken — worden gebruikt om aan het deeg te worden toegevoegd. Buitendien zou wanneer men er iets bij zou doen waardoor de smaak verbeterd zou worden, afbreuk worden gedaan aan het feit dat het het „brood der kwellingen” is. — Deut. 16:3, NW; 1 Kor. 5:6-8.
Joodse matses kunnen al of niet aan deze vereisten voldoen, hetgeen ervan afhangt hoe ze zijn bereid. Het kan noodzakelijk zijn om uw eigen ongezuurde brood te bakken, zoals dit elk jaar op het Bethelhuis in Brooklyn wordt gedaan. De broeder die dit verzorgt, gebruikt het volgende recept: Neem een kopje (volkoren) bloem gemengd met twee en een kwart kopje water. Klop dit in een schaal grondig door elkaar en doe dan wat beslag in een middelmatig warme koekepan zoals bij het bakken van pannekoeken; bak het baksel aan beide zijden. Doe de koeken nadat ze hard zijn geworden in een bakpan en bak ze in een oven op 325 graden totdat ze croquant zijn.
Wat de wijn betreft, deze dient in de eerste plaats gegist te zijn. Er bestaat geen twijfel over dat Jezus gegiste wijn gebruikte en geen druivensap. Druivensap kan geen oude wijnzakken doen barsten. Het was uitsluitend omdat Jezus geen bezwaren tegen het drinken van wijn had dat zijn vijanden hem ervan beschuldigden een „wijndrinker” te zijn. Buitendien blijft druivensap niet ongegist vanaf de druivenoogst in de herfst tot de lente, de paschatijd, de tijd dat Jezus de gedachtenis aan zijn dood instelde. Het getuigenis van de joodse geschiedenis bevestigt dat er met het pascha gegiste wijn werd gebruikt. — Matth. 9:17; 11:19.
De wijn dient ook rood te zijn. Alleen rode wijn is een passend symbool van bloed; het dient „druivenbloed” te zijn. Evenals Jezus’ bloed verder geheel toereikend was, in zichzelf volledig, dient dit ook met de „vrucht van den wijnstok”, die wordt gebruikt om het af te beelden, het geval te zijn. De wijn die wordt gebruikt, dient daarom ongezoet te zijn; de meeste paschawijnen zijn in aanzienlijke mate gezoet en daarom ongeschikt. Evenmin dient de wijn sterker gemaakt te worden; dit wil zeggen, dat er niet zoiets als brandewijn aan toegevoegd mag worden om het alcoholpercentage te verhogen, zoals dit met portwijn het geval is. Evenmin mogen er kruiden of specerijen bij worden gedaan, zoals dit met vermouts en wijnen zoals Dubonnet is gedaan. Eigengemaakte, ongezoete rode wijn is aanvaardbaar, evenals bourgogne, chianti en rode bordeaux, om maar enkele van de meer algemene soorten rode wijn te noemen. — Deut. 32:14.
De symbolen dienen voorhanden te zijn en aan iedere aanwezige te worden doorgegeven, ook al lijkt het wel zeker dat niemand tot het overblijfsel behoort. Elkeen dient ten tijde dat de symbolen aan hem worden doorgegeven, door er al of niet van te gebruiken, er blijk van te geven of hij op grond van de wijze waarop God zich met hem bezighoudt een goed gefundeerde hemelse of aardse hoop bezit. Zij die belijden dat zij tot het overblijfsel behoren, dienen daarom niet te worden afgezonderd, waarbij de symbolen alleen maar aan hen worden doorgegeven. Er zal afzonderlijk de zegen worden gevraagd, eerst over het brood dat daarna zal worden doorgegeven, en vervolgens over de wijn welke hierna zal rondgaan. De ’beker’ dient een groot wijnglas of een normale beker te zijn, hoewel er, wanneer de gemeente groot is, verscheidene mogen worden gebruikt. Kieskeurige bezwaren hiertegen op grond van hygiënische overwegingen kunnen niet in aanmerking worden genomen. Door een groot aantal kleine glaasjes kan niet het gemeenschappelijke deelhebben aan het bloed van Christus worden gesymboliseerd, evenals vele kleine stukjes brood — zoals die door de Rooms-Katholieke Kerk bij de mis worden gebruikt — het symbool van het ene brood teniet zouden doen. Er dient ook te worden opgemerkt dat er geen noodzaak bestaat de symbolen totdat ze worden rondgediend, bedekt te houden, daar dit aan religieuze mystiek en ceremoniën doet denken, hetgeen vermeden dient te worden. — Rom. 8:16, 17, 24, 25; 1 Kor. 10:15-17.
In het geval van degenen die tot het overblijfsel behoren en die wegens zwakte of ziekte niet in de gelegenheid zijn het gedachtenismaal bij te wonen, dient er natuurlijk een uitzondering te worden gemaakt. Ongeacht hun leeftijd of fysieke toestand zal hun door een broeder die bekwaam is om de aangelegenheid in het kort met hen te bespreken, afzonderlijk iets van de symbolen worden verstrekt. Dezulken zullen als bezoekers en tevens als personen die van de symbolen hebben gebruikt, worden beschouwd. Uitgesloten personen zijn niet welkom. Zouden zij de viering bijwonen en van de symbolen gebruik maken, dan zullen zij niet worden gerekend. Insgelijks zullen ook nieuwelingen die nog niet zijn gedoopt en die van de symbolen nemen, niet worden meegeteld.
Wat te doen wanneer iemand die tot het overblijfsel belijdt te behoren, wegens omstandigheden buiten zijn macht er absoluut van wordt weerhouden het Avondmaal bij te wonen en van de symbolen te gebruiken? Het schijnt dat de barmhartige en liefderijke voorziening die Jehovah trof doordat het pascha door de joden die op 14 Nisan ceremonieel onrein waren, een maand later kon worden gevierd, ook op hem of haar van toepassing is. Het lid van het overblijfsel zou daarom op de veertiende dag van de volgende maand, Ijar, volgens de joodse kalender, of precies dertig dagen later, persoonlijk Christus’ dood kunnen gedenken. — Num. 9:9-14.
Wat er na de viering van het Avondmaal van de symbolen is overgebleven, mag naar huis worden meegenomen en net als ander voedsel worden gegeten. Na de viering is het niet meer iets heiligs. Deze symbolen zullen stellig echter niet onmiddellijk na het Avondmaal des Heren in de Koninkrijkszaal en in een geest van lichtzinnigheid, zoals wel eens in bepaalde gevallen is gebeurd, worden genuttigd. „Laat alles betamelijk en in goede orde geschieden”, is een raad die zeer zeker voor de herdenking van Christus’ dood passend is. — 1 Kor. 14:40.