Mijn doel in het leven nastreven
Zoals R.N. Tracy dit heeft verteld
IK HERINNER mij nog goed een bekende uitspraak die ik als jongeman vaak hoorde: „Leef en leer, sterf en vergeet alles”. Net als in vele andere gevallen, zoals in die van het kerstmannetje en sinterklaas, bleek ook deze in Amerika zo bekende uitspraak onwaar te zijn. Mijn familie aanvaardde snel de bijbelse boodschap die Jehovah’s getuigen ons brachten, hoewel wij streng methodistisch waren opgevoed. Wij begonnen in te zien dat er een mogelijkheid bestond eeuwig op een prachtige aarde te leven.
Wat mijzelf betreft, ik begon de organisatie reeds naar waarde te schatten voordat ik al haar leerstellingen begreep. Nadat ik enkele maanden lang anderen in de dienst had vergezeld, werd ik op 3 september 1939 tijdens een zonevergadering in een koude rivier te Fulton in New York gedoopt. Toen een ruwe, met knuppels gewapende bende de volgende dag onze vergadering opbrak, terwijl de burgemeester en de politie zonder iets te doen, toekeken, kookte mijn bloed van verontwaardiging. Dit incident droeg er alleen maar toe bij mij in mijn opdrachtsgelofte aan Jehovah te sterken.
Het grote nationale congres in 1940 te Detroit, in Michigan, bleek in het leven van het gezin waarvan ik deel uitmaakte, van beslissende betekenis te zijn. Ik kan mij nog het beeld van ons zessen, mijn moeder, twee broers, twee zusters en ikzelf, voor de geest halen, hoe wij rond de keukentafel gezeten het besluit namen om indien mogelijk nooit meer een congres te missen en zo spoedig mogelijk de pioniersdienst in te gaan, zelfs al zouden wij een voor een moeten gaan.
Spoedig daarna waren mijn twee broers in de gelegenheid deze stap in de bediening van het evangelie te doen. Toen het mijn beurt was, plaatste een auto-ongeluk waarbij de familie betrokken was, een onverwachte financiële last op onze schouders. De zes maanden die ik aan speciaal werelds werk wilde besteden, werden achttien maanden. In die tijd kreeg ik genoeg van de oude wereld. Daar ik mijn vader in zijn ijssalon hielp, betekende dit dat ik met mensen moest werken en praten die weinig hoop op de toekomst bezaten, personen die eindeloze uren met gepraat over onbeduidende zaken en geroddel doorbrachten, genoegen schiepen in vuile verhalen, een immoreel leven leidden en eerlijkheid belachelijk vonden. Met de nieuwjaarsdag van 1943 begon voor mij de eerste dag als pionier. Met het verstrijken van de tijd werden slecht weer, valse honden, fanatieke mensen en onverschilligheid ten aanzien van de bijbelse waarheid alle een deel van de dagelijkse bediening van het evangelie. Niettemin deden wij echter prettige ervaringen op. De eenvoudige vreugde van het doen van wat juist is, overschaduwde al het andere.
Daar benzine op de bon was, bewerkten wij de plattelandsgebieden per fiets, waardoor wij ’s avonds doodmoe thuiskwamen. Door voeding en rust waren wij de volgende dag echter weer in staat er met frisse moed op uit te trekken. Toen mijn partner in de dienst op zekere dag ziek was, ging ik plichtsgetrouw alleen naar het plattelandsgebied. Toen ik die avond naar huis fietste, was ik zeer vreugdevol over de predikingsactiviteit van die dag: ik had acht boeken verspreid.
De bekendmaking over de Wachttoren Bijbelschool Gilead bracht in de geest van heel wat pioniers, waartoe ook ik behoorde, beroering teweeg. Het zag ernaaruit alsof er nog een lange weg voor mij lag voordat ik het voorrecht zou ontvangen voor deze school uitgenodigd te worden. Wanneer ik op mijn status van twee jaar pioniersdienst terugkeek, voelde ik dat ik het beter had kunnen doen. Buiten het getuigeniswerk om moesten er namelijk nog zoveel andere dingen worden gedaan. Het huis moest worden geschilderd, toen moest het dak waterdicht worden gemaakt, daarna weer de stormramen gerepareerd. Ook het wereldse werk eiste veel tijd. Een rijpe broeder moedigde mij aan het Genootschap een brief te schrijven waarin ik mijn situatie openhartig zou uiteenzetten, zou toelichten waarom ik mijn quotum niet kon halen en waarin ik zou beloven dat ik dat zou doen wanneer mij de kans hiertoe werd gegeven. Ik zou naar elke plaats willen gaan waar het Genootschap mij naar toe zou willen zenden. Bij het antwoord van het Genootschap bevond zich een aanvraagformulier voor de speciale pioniersdienst.
Spoedig daarna bevond ik mij in een trailer, vier en een halve kilometer van de plaats waar ik tweeëntwintig jaar lang had gewoond. In korte tijd had mijn familie het huis en het grootste deel van de meubelen verkocht, een trailer aangeschaft en zich in de pioniersdienst bij mij aangesloten. Ons groepje bestond uit mijn moeder, een broer en twee zusters. Onze uitrusting omvatte twee auto’s en een trailer. De financiële toestand: geen geld. Het leven zou vol vraagtekens zijn!
Na vijf maanden in de speciale pioniersdienst, ging ik als leerling naar de zesde klas van Gilead. Op school was er geen tijd om aan het verleden of de toekomst te denken, alleen maar het heden had de aandacht. Onze geest moest er op ingesteld raken de veelomvattende lessen te volgen. Het leven aan deze onderwijsinstelling was zeer inspannend, maar wij wilden toch aan de maatstaven voldoen. Toen wij na de diploma-uitreiking naar alle richtingen wegtrokken, op weg naar onze bestemming, wisten wij hoe te studeren en hoe instructies opgevolgd moesten worden.
Ik had de toewijzing gekregen om in het gebied van Boston als broederdienaar te dienen. Toentertijd waren sommige Getuigen geneigd te denken dat afgestudeerden van Gilead een soort van wondermensen waren die in vijf maanden tijd bijna alles hadden geleerd wat er te leren viel. Konden zij niet in een oogwenk een uurlezing uitwerken? In enkele van de gemeenten die ik het eerst bediende, bevonden zich dienaren die de waarheid al kenden voordat ik was geboren. Hoewel ik mij in het begin een echt groentje voelde, had ik mij spoedig bij mijn nieuwe toewijzing aangepast.
Op een zekere dag opende ik een envelop van het bureau van de president van het Genootschap en daar was de langverwachte brief — een buitenlandse toewijzing in Zuid-Amerika. Na de internationale vergadering in Cleveland in 1946 ging ik naar Bethel om daar in een maand tijd zoveel mogelijk inlichtingen over de bijkantoor-werkwijze in mij op te nemen. Mijn familie kwam naar New York om afscheid van mij te nemen, en voordat het goed tot mij was doorgedrongen, zat ik in de trein naar Miami. Twee dagen later vloog ik over de Caraïbische Zee naar Colombia. Twaalf uur nadat wij uit Miami waren vertrokken, landden wij in Bogotá, onze plaats van bestemming. Wat was mijn eerste indruk? Eerlijk gezegd was het op een radicale wijze anders. In enkele uren tijd waren wij uit het ene soort van leven gelicht en in een geheel andere wereld — tussen mensen van een vreemd ras en met een taal die wij niet konden verstaan — overgezet. Toen wij naar het zendingshuis reden, viel er op de stad en haar kleurloze inwoners een druilerige motregen neer.
Ik heb ervaren dat het leven van een zendeling niet gemakkelijk is. Alleen door hard te werken en veel geduld te hebben met de mensen die nimmer de gelegenheid hebben gehad de bijbel te lezen, hadden wij resultaten. De mensen in dit deel van de wereld zijn evenmin organisatorisch ingesteld. Het schenkt echter een onuitsprekelijke vreugde iemand die nog nooit van Jehovah’s getuigen heeft gehoord, getuigenis te geven, met hem te studeren en dan te zien hoe hij vorderingen maakt, zich aan God opdraagt en een rijpe verkondiger wordt. Ten aanzien van een vreugdevolle zendingsdienst zijn ook het leren van de Spaanse taal en het begrip hebben voor de mensen, belangrijke factoren gebleken. Wij hebben ook altijd in gedachten trachten te houden dat wij ermee bezig zijn de mensen te onderwijzen hoe zij volgens de maatstaven van de Nieuwe Wereld, en niet volgens de noordamerikaanse, moeten leven.
Waar ik vooral door werd geholpen, was de houding die mijn moeder aan de dag legde. Hoewel zij na mijn vertrek uit de Verenigde Staten door jicht zeer gebrekkig werd, heeft zij mij nooit gevraagd thuis te komen om haar te helpen. Zij was ervan doordrongen dat afgestudeerden van Gilead op die plaatsen dienden te zijn waarvoor zij waren opgeleid — in de verafgelegen gebieden van deze wereld.
Sinds mijn leven als zendeling een begin had, zijn er ruim dertien jaren verstreken. Kan ik deze dienst oprecht aan anderen aanbevelen? Mijn antwoord kan ik het beste illustreren door te vertellen wat ik ervoer toen ik in 1950 na een afwezigheid van drie jaar naar de Verenigde Staten terugkeerde. Zou ik er willen blijven? Er waren nog geen twee maanden verstreken of ik verlangde al weer naar mijn toewijzing in Colombia. Het is zeer interessant in dit land als kring- en districtsdienaar werkzaam te zijn, om bij een bepaalde gelegenheid zelfs getuige te mogen zijn van de onderdompeling van meer dan driehonderd personen en om te zien hoe in enkele snel voorbijgegane jaren het aantal verkondigers van dertig tot meer dan 1400 is toegenomen.
In 1952 trouwde ik met een afgestudeerde zendelinge van Gilead, en na ruim zeven jaren getrouwd te zijn, verheugen wij ons nog steeds in het gezamenlijk als zendelingen nastreven van ons levensdoel. Nadat wij vijf jaar niet in de Verenigde Staten waren geweest, konden wij in 1958 de internationale ’Goddelijke wil’-vergadering in New York bijwonen. Hoe zou men dit grootste evenement met enkele woorden kunnen beschrijven? Onze verwachtingen werden zeer zeker door de werkelijkheid overtroffen. De lezingen waren aansporend, de raadgevingen krachtig. De reusachtige uitbreidingsplannen schenen wonderbaarlijk logisch. Ik was ervan overtuigd dat met behulp van Jehovah’s geest het goede nieuws van Gods opgerichte koninkrijk stellig op de gehele bewoonde aarde gepredikt zou worden. Het bezoeken van familieleden en oude vrienden was spoedig voorbij en de tijd brak aan om naar onze zendingstoewijzing terug te keren. Wat verheugden wij ons erover een gezin van drie personen met ons te kunnen meenemen, om daar te gaan dienen waar de behoefte aan predikers sterk wordt gevoeld. Bij onze aankomst op het vliegveld stond een geweldig groot aantal van onze Colombiaanse broeders en zusters, ons op te wachten. Welk een vreugdevolle thuiskomst!
Thans is mij een nieuw voorrecht ten deel gevallen — het ambt van zonedienaar voor de Westindische zone. Ik bezoek nu de bijkantoren en zendingshuizen en stel verslagen op voor het bureau van de president over wat er hier in dit deel van de wereld gebeurt.
Als ik aan de vele prachtige jaren die ik als pionier en zendeling in de volle-tijd-dienst heb doorgebracht, denk, doet het me vreemd aan om aan een andere leefwijze te denken. Als men er moeite voor doet, kan men zich overal thuis voelen. Wij zijn blij dat wij door Jehovah’s gunst in een land kunnen dienen waar nog geweldig veel werk verzet moet worden. Wij weten dat onze vreugde voortspruit uit het doen van het juiste, en niet slechts door aan het juiste te denken. Tot slot zou ik willen zeggen dat te leren voor eeuwig te leven, iets wonderbaarlijks is, en dat ik sedert 1943, toen ik met de pioniersdienst begon, stellig heb geleerd dat het ’leven niet voortspruit uit wat men bezit’. — Luk. 12:15, NW.