Veroordeelde verkrijgt de hoop op het paradijs
TOEN Jezus negentienhonderd jaar geleden aan de martelpaal stierf, hingen er twee misdadigers naast hem, aan beide zijden één. Zij hadden gestolen en ondergingen nu de straf voor hun misdaden. Zouden zulke mensen ook nog onder Gods onverdiende goedgunstigheid vallen? Een van hen deed net als de menigte en de schriftgeleerden en lasterde Jezus. De andere drukte zich echter als volgt uit: „Wij ontvangen ten volle hetgeen wij verdienen voor wat wij hebben gedaan; maar deze man heeft niets buitensporigs gedaan”. Vervolgens zei hij: „Jezus, gedenk mij wanneer gij in uw koninkrijk komt”. Jezus antwoordde: „Waarlijk ik zeg u heden: Gij zult met mij in het Paradijs zijn”. Jehovah God, die het hart van alle mensen kan lezen en die door bemiddeling van zijn Zoon een rantsoen voor de dood heeft verschaft, heeft door diezelfde Zoon de hoop op een opstanding ten tijde dat het paradijs op deze aarde is hersteld, in het vooruitzicht gesteld. — Matth. 27:44; Luk. 23:39-43, NW.
Laten wij nu onze aandacht eens richten op deze twintigste eeuw. Wij vertoeven in het na-oorlogse Japan. Na de massamoord van de tweede Wereldoorlog, waarin miljoenen Japanners en mensen uit andere natiën werden afgeslacht, was Japan geruïneerd ten onder gegaan. Gewelddaad en verwarring waren blijven bestaan, tenminste de eerste tijd na de oorlog. Onder deze omstandigheden werd een jongeman van nauwelijks achttien jaar er door iemand voor betaald een dubbele moord te bedrijven. Hij werd gevangengenomen en ter dood veroordeeld, terwijl het vonnis door ophanging voltrokken zou worden. Dat was tien jaar geleden. Acht jaar bracht hij in zijn cel door, in afwachting van de executie die elke dag kon plaatsvinden.
Tijdens de lange periode dat hij in de gevangenis zat, ging hij zich met religie bezighouden, en een zendeling van een van de zogenaamd christelijke richtingen gaf hem onderricht. Hoewel hij de bijbel las, herlas, ervan genoot en er een grote liefde voor ontwikkelde, vond hij toch dat zijn religieuze leraar hem de inhoud niet goed kon uitleggen. Eens op een dag nam een vriend van deze gevangene zo maar eens ergens op straat een tijdschrift De Wachttoren, en daar hij er zelf geen belangstelling voor had, stuurde hij het blad naar zijn vriend in de gevangenis. Zodra deze De Wachttoren begon te lezen, brak er plotseling in zijn geest een geweldig groot inzicht door. Alles wat hij in de bijbel had gelezen, begon nu voor hem te leven. Hij schreef het bijkantoor van de Watch Tower Society in Tokio om verdere inlichtingen, en er werden onmiddellijk regelingen getroffen dat een pionierbedienaar van het evangelie van Jehovah’s getuigen hem zou bezoeken.
Hoewel de bezoeken tot vijftien minuten per keer beperkt moesten blijven, werden er toch regelmatig wekelijks bijbelstudiën gehouden. De bezoekende bedienaar van het evangelie ontdekte dat de gevangene de inhoud van de bijbel al heel goed kende en dat hij de teksten met het grootste gemak kon vinden. Na twee of drie studiën toonde hij zich al bijzonder enthousiast over de waarheden die hij had geleerd en begon hij het goede nieuws te prediken door allen die hij kende brieven te schrijven. Er waren nog maar enkele maanden verstreken toen hij al zijn wens tot uitdrukking bracht om gedoopt te worden. Doordat de gevangenisautoriteiten zo vriendelijk waren dit toe te staan, kon dit doorgang vinden.
Naarmate hij met de studie voortging, verdiepte zijn waardering zich en toonde hij dit door tot de cipiers en zijn medegevangenen te gaan prediken. Velen van hen lachten hem uit en zeiden: „Wil jij, als moordenaar, ons vertellen wat goed en verkeerd is?” Deze en andere beschimpingen schrokken hem echter niet af en hij bleef hun het goede nieuws vertellen. Bovendien stonden ook de autoriteiten van de gevangenis verbaasd over de totale verandering die er, sinds hij een van Jehovah’s getuigen was geworden, in zijn optreden had plaatsgevonden. Dat hij nu, in plaats van dikwijls aan uitbarstingen en zwaarmoedige buien onderhevig te zijn, een vrolijke en verdraagzame houding ten opzichte van de andere gevangenen aan de dag legde, toonde overduidelijk zijn vooruitgang tot christelijke rijpheid aan. De cipiers spraken vaak over de volledige verandering die er zich in hun gevangene had voltrokken.
Zijn prediking begon zich uit te breiden, en wel doordat hij aan vroegere vrienden in Japan en ook zelfs aan een Japanner in de Verenigde Staten brieven schreef. Hij richtte veel brieven met warme aanmoedigingen naar overal in Japan werkende pioniers en schreef ook naar gemeenteverkondigers, hen aanmoedigend tot rijpheid voort te gaan. Hij werd een van de vurigste verkondigers van de jonge gemeente van Jehovah’s getuigen te Fukuoka. Door middel van brieven maakte hij ook aan de familie van de personen die hij had gedood het goede nieuws bekend, waarna zij enige belangstelling toonden. Hij had ook zijn eigen familie heel intensief getuigenis gegeven. Zijn vader bezocht de ’Goddelijke wil’-districtsvergadering van Jehovah’s getuigen en is vanaf dat moment een Koninkrijksverkondiger geworden. Deze veroordeelde bestudeerde ook het brailleschrift. Hij zette het boek „God zij waarachtig”, de brochure „Dit goede nieuws van het koninkrijk” en artikelen uit De Wachttoren en Ontwaakt! in braille over en liet deze in verschillende delen van Japan, en ook op scholen voor blinden, verspreiden.
Dikwijls zei hij tegen bezoekers: „Wanneer ik door mijn celraampje de blauwe lucht zie, voel ik een hevig verlangen in mij opkomen om buiten te zijn en jullie met prediken te helpen! Zou ik daarentegen als ik niet hier was geweest, ooit van de waarheid gehoord hebben?” Hij vertelde dat het lezen van ervaringen over getrouwe broeders en zusters die ook pas na soortgelijke daden christenen waren geworden, hem hielpen zich aan zijn besluit te houden tot de dag waarop het vonnis voltrokken zou worden, een zelfde getrouwe wandel aan de dag te blijven leggen. Deze ervaringen hebben hem geholpen toen die dag ten slotte aanbrak. Percy Iszlaub, een zendeling in Fukuoka, die door zijn regelmatige bezoeken aan de gevangenis de veroordeelde veel troost had gebracht, vertelt het laatste hoofdstuk van deze ware levensgeschiedenis:
„Heel vroeg op een ochtend stond er een politiewagen voor de poort van het zendingshuis. De agent vertelde mij dat hij mij op verzoek van de heer Nakata kwam halen om mee te gaan naar de gevangenis. De heer Nakata zou die morgen geëxecuteerd worden. Buiten regeringsbeambten en gevangenisautoriteiten was ik de enige die toestemming had ontvangen hem naar de executieplaats te vergezellen. Zelfs zijn vader werd pas na de executie hiervan op de hoogte gesteld. Ik kwam even over achten in de gevangenis aan en om half negen werd ik geroepen om broeder Nakata te bezoeken. Toen ik op de binnenplaats aankwam, zag ik daar broeder Nakata omringd door vier beambten. Hij had handboeien aan. Wij hadden geen gelegenheid om nog even alleen te spreken, want dat werd niet meer toegestaan.
Zodra broeder Nakata mij zag, begon hij te glimlachen en zei hij heel opgewekt ’Hallo’ en vervolgens: ’Ik heb nu zeer veel vertrouwen in Jehovah, in het rantsoenoffer en in de opstandingshoop. Nog nooit in mijn leven heb ik mij zo sterk gevoeld als vandaag. Ik heb mij heel lang op deze dag kunnen voorbereiden en ik ben onbevreesd’. Ik kon het geloven, en ik voelde mij de zwakste van ons beiden. Wat een vertrouwen na tien lange jaren van gevangenschap!
Vervolgens werden wij naar de plaats van de executie gebracht, en nadat de beambten broeder Nakata voor de laatste maal ondervraagd hadden, kreeg ik vlak voor de terechtstelling opnieuw toestemming om met hem te spreken. Hij legde toen voor alle aanwezigen een zeer goed getuigenis af. Wij zongen een Koninkrijkslied en lazen vervolgens nog enige schriftplaatsen die betrekking hadden op de opstandingshoop en de herstelling van het paradijs, waarna wij een laatste gebed opzonden. Er waren tien tot twaalf beambten aanwezig die naar onze bespreking luisterden, en zij stonden versteld over de kalmte en het vertrouwen van broeder Nakata.
Broeder Nakata zei mij vervolgens dat hij Jehovah’s organisatie nog uit het diepst van zijn hart wilde danken voor het feit dat ze hem de waarheid had gebracht, en dit gold ook voor hen die hem hadden bezocht en geschreven en hem zodoende hadden geholpen meer kennis van Jehovah’s voornemen te verkrijgen. De waardering straalde van zijn gezicht. Hij vroeg mij of ik alle getuigen van Jehovah wilde blijven aanmoedigen er getrouw mee voort te gaan hun rechtschapenheid tot aan het einde toe te handhaven, en de wijze waarop hij zich in schriftuurlijke taal uitdrukte, was schitterend. Hij sprak de wens uit Jehovah’s volk in het paradijs van de nieuwe wereld opnieuw te mogen ontmoeten. Zijn gelaat weerspiegelde de wonderbaarlijke hoop die hij bezat. Toen hij door een deur naar de galg werd weggeleid, keek hij nog over zijn schouder en zei: ’Ik zal nu een korte tijd slapen, en als het Jehovah’s wil is, zal ik jullie allen in het paradijs weer ontmoeten’.
Zo stierf hij met een rotsvast vertrouwen op deze hoop op de 10de juni 1959”.
„Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel.” — Johannes 5:28, 29.