Het Korinthe uit de oudheid — welvarend en losbandig
HET Korinthe uit de oudheid stond bekend om zijn welvaart, weelde en losbandigheid. In dit opzicht was het niet anders dan de moderne Westerse beschaving met haar materiële voorspoed en haar nadruk op sekse. Inlichtingen over Korinthe helpen ons een beter begrip te krijgen van de brieven die Paulus aan de Korinthiërs schreef en geven ons eveneens een grotere waardering voor de toepasselijkheid van hun raadgevingen.
Toen er in Jeruzalem nog steeds koningen op de troon van Jehovah zaten, was de eerste stad Korinthe al een bloeiende metropolis. De stad lag op een smalle strook land tegenover de Akrokorinthos, een natuurlijke uit rotsen bestaande vesting met een hoogte van ongeveer 580 meter. Deze smalle strook land tussen twee zeeën verbond het Peloponesische schiereiland met het noordelijke deel van Griekenland en werd „de zeebrug” of isthmos genoemd, waaraan wij onze huidige term „isthmus” hebben ontleend welke de betekenis heeft van een smalle strook land tussen twee zeeën.
Korinthe was zo bevoorrecht een haven aan beide zeeën te bezitten, de ene als eindpunt van de Aziatische zeewegen en de andere voor de Italiaanse. Er werden grote hoeveelheden goederen over de isthmus van de ene haven naar de andere vervoerd. Korinthe werd de welvarendste stad van heel Griekenland. Ook werd het „een van de oudste bakermatten der kunst”. De Korinthische zuilen waren bijzonder sierlijk en werden op uitgebreide schaal nagemaakt.
Korinthe „bezat alle pracht die welvaart en weelde maar konden scheppen”. Er bestond een gezegde: „Niet iedereen kan naar Korinthe varen”. Hand in hand met de welvaart ging de immoraliteit, nog aangemoedigd door de aanbidding van de „Koningin des hemels”, Afrodite, de godin van de „liefde” en de schoonheid, waardoor Korinthe ook bekend kwam te staan als de meest losbandige stad van het Griekenland uit de oudheid. In het heiligdom van deze godin boden een duizendtal hieroduli of priesteressen hun lichaam aan vreemdelingen aan, om zo hun toewijding aan Afrodite te bewijzen. De hetaeren of minnaressen van Korinthië stonden zowel om hun duivelse schoonheid als om de hoge prijs die zij voor hun liefkozingen lieten betalen, bekend. Corinthiázesthai betekende „een losbandig leven leiden”. Mannen en vrouwen van lichte zeden stonden als „Korinthiasten” en „Korinthische meisjes” bekend.
In 146 v. Chr. vernietigde de Romeinse generaal Mommius Korinthe en roofde hij uit commercieel oogpunt veel van haar kunstschatten. Een eeuw later, in 46 v. Chr., herbouwde Julius Caesar de stad weer, waarna hij haar met Romeinen en Grieken bevolkte. Hoewel „het enige verband tussen het nieuwe en het oude Korinthe in de plaats was gelegen, schijnt de historische pracht van de plaats de geest van de nieuwe bewoners te hebben overmeesterd, daar zij weldra alle plaatselijke erediensten weer opnieuw instelden en de vergane glorie [van de stad] voor zichzelf opeisten” (Encyclopædia Britannica). Opnieuw verwierf Korinthe bekendheid als een stad die zowel voorspoedig als losbandig was. Ongeveer 50 jaar na Christus bezocht Paulus deze stad; hij bleef er veertien maanden en richtte er een gemeente op.
Na die tijd werd Korinthe achtereenvolgens door de Turken, Franken en Venetianen en door anderen in bezit genomen en eenmaal werd ze door een aardbeving met de grond gelijk gemaakt. Het huidige Korinthe, Korinthos, ligt ongeveer tien kilometer verwijderd van de plaats waar het oude Korinthe heeft gelegen en heeft een bevolking van ongeveer 18.000 zielen. Evenals haar beide naamgenoten uit de oudheid, is ook deze stad een belangrijk transportcentrum. Wij treffen er twee bloeiende gemeenten van Jehovah’s getuigen aan. Als bijkomstigheid kunnen wij nog opmerken dat op de oorspronkelijke plaats het stadje Oud Korinthe ligt, een plaatsje met ongeveer 1000 inwoners.
Het voorgaande werpt meer licht op de twee brieven die Paulus aan de door hem opgerichte gemeente te Korinthe schreef. Het is ons nu duidelijk waarom Paulus zo krachtig over een juist gedrag en zuivere aanbidding sprak, zoals hij dit vooral in de hoofdstukken vijf tot en met zeven van zijn eerste brief doet. Paulus spreekt in deze twee brieven in feite vaker over hoererij dan in zijn andere twaalf brieven. Ook zijn raad aan de Korinthiërs maar liever te trouwen dan te branden van hartstocht, wordt ons nu ook veel duidelijker.
Met het oog op de welvaart van Korinthe kunnen wij nu ook heel goed begrijpen waarom Paulus de broeders en zusters daar berispte vanwege hun gebrek aan gastvrijheid, waarom hij er de nadruk op legde dat een ieder zou geven overeenkomstig hetgeen hij had en waarom hij hen eraan herinnerde dat ’wie karig zaait, ook karig zal oogsten’. Hoewel Paulus’ raad betreffende het op overvloedige wijze geven en een reine levenswijze altijd passend en actueel is, is hij in het bijzonder van toepassing op degenen die in plaatsen wonen waar, evenals in het Korinthe uit de oudheid, welvaart en losbandigheid heersen. — 2 Kor. 9:6.