Laat uw linkerhand niet weten
DE GROOTSTE kenner der menselijke natuur die ooit op aarde heeft geleefd, was de Grote Leraar. Feilloos onderkende hij de heimelijke beweegredenen en stelde deze openlijk, daarbij niemand ontziend, aan de kaak. Toen hij bij een gelegenheid een algemeen voorkomende menselijke tekortkoming bekritiseerde, zei hij:
„Draagt er ten zeerste zorg voor dat gij uw rechtvaardigheid niet voor het oog van mensen beoefent, om door hen gadegeslagen te worden, anders zult gij geen loon hebben bij uw Vader, die in de hemelen is. Wanneer gij daarom gaven van barmhartigheid begint te doen, bazuin het dan niet voor u uit, evenals de huichelaars in de synagogen en op de straten doen, opdat zij door mensen verheerlijkt mogen worden. Voorwaar, ik zeg u: Zij ontvangen hun beloning reeds ten volle. Maar gij, wanneer gij gaven van barmhartigheid doet, laat uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet, opdat uw gaven van barmhartigheid in het verborgen mogen geschieden; dan zal uw Vader, die in het verborgen toeziet, het u vergelden.” — Matth. 6:1-4.
Hoe doordringend zijn deze woorden van de Grote Leraar! Hoe goed begreep de Zoon Gods de menselijke natuur! Al zullen we er niet aan denken een letterlijke bazuin te blazen, we zijn toch gauw geneigd met onze goedheid te koop te lopen. Daarom verklaart een schriftuurlijke spreuk: „Van een menigte mensen maakt elk zijn eigen liefderijke goedgunstigheid bekend, wie kan echter een getrouw mens vinden?” Passend wordt ons daarom de raad gegeven: „Moge een vreemdeling, en niet uw eigen mond, u loven; moge een vreemdeling, en niet uw lippen, dit doen.” Zo kan een bepaalde daad milddadig schijnen; vestigen wij er echter de aandacht op, dan blijkt zo’n daad niets meer te zijn dan een poging onze reputatie te verhogen. Onze beweegredenen worden verdacht en de mogelijkheid wordt groot dat we van trots en huichelarij beschuldigd worden. — Spr. 20:6; 27:2.
Wat bedoelde Jezus echter toen hij ons vertelde dat we bij milddadige werken onze linkerhand niet mochten laten weten wat de rechter deed? Het zou in ieder geval te kennen kunnen geven dat we bij ons geven het grootste stilzwijgen dienen te betrachten. Aangezien de linkerhand in bijna alles wat we doen zeer nauw met de rechter samenwerkt, duidt de linkerhand welke niets weet er ongetwijfeld op dat we niet over onze liefdadige werken, zelfs niet tegen onze intiemste metgezel, zoals echtgenoot of echtgenote, mogen spreken. Krachtig brengt Jezus ons door middel van deze illustratie het van levensbelang zijnde beginsel onder de aandacht, dat het ons voornaamste streven dient te zijn God meer te gehoorzamen dan de mensen.
Dit wil niet zeggen dat wij nooit en te nimmer de aandacht op onze goede werken mogen vestigen. Wanneer er een goed doel door wordt gediend, bijvoorbeeld om anderen aan te moedigen ons goede voorbeeld te volgen, is het stellig geoorloofd. Zo verwees koning David naar zijn bijdrage voor de tempelbouw, waarvan de waarde aan goud en zilver omstreeks 350 miljoen gulden bedroeg. Andere getrouwe dienstknechten van Jehovah, zowel voor als na Davids tijd, Gods Zoon inbegrepen, maakten meermalen eveneens melding van hun goede werken. Dit werd echter nooit gedaan om „door mensen verheerlijkt” te worden. Zij deden het veeleer om God te verheerlijken, zoals in Davids geval toen hij tot God zei: „En wie toch ben ik en wat is mijn volk, dat wij in staat zouden zijn vrijwillige gaven gelijk deze te brengen? Want alles is van u en uit uw eigen hand hebben wij het u gegeven.” Ook mag het gedaan worden om anderen aan te sporen evenzo te handelen, zoals in het geval van Paulus toen hij na van zijn gedragswijze en moeilijkheden die hij als christelijke prediker, zendeling en apostel had ondervonden, verslag te hebben uitgebracht, kon zeggen: „Wordt mijn navolgers, evenals ik het van Christus ben.” — 1 Kron. 29:3, 4, 13, 14; 1 Kor. 11:1; 2 Kor. 6:3-10; 11:12-33.
De Grote Leraar, de Zoon Gods, heeft inderdaad een scherp inzicht in de menselijke natuur. Hij besefte terdege de strekking van de schriftuurlijke verklaring: „Arglistig is het hart boven alles, ja, verderfelijk is het; wie kan het kennen?” Door middel van Gods Woord en met behulp van de heilige geest of werkzame kracht was Jezus in staat ’s mensen hart te doorvorsen. — Jer. 17:9, NBG.