De Stille Zuidzee roept
Door een gezin op een eiland in de Stille Zuidzee
IN 1951 vertelde de president van het Wachttorengenootschap ons wat een groot werk er op de eilanden in de Stille Zuidzee gedaan moest worden. Hij zei dat het wegens vooroordeel en haat van de zijde der regering onmogelijk was zendelingen van het Genootschap naar veel van deze eilanden te sturen. Toen mijn vrouw en ik dit vernamen, besloten wij ons best te doen om naar een der voorgestelde eilanden te gaan. (Wij zullen geen namen en plaatsen noemen ten einde de theocratische belangen in deze gebieden te beveiligen.) Wij bespraken de aangelegenheid met onze zoon en dochter. Zij stonden geheel aan onze kant — de pioniersdienst lag dus binnen ons bereik!
Plotseling werden wij bestormd door allerlei vreesaanjagende gedachten zoals, Zou het verstandig zijn om zulk een reusachtige onderneming te beginnen? Hoe stond het met onze gezondheid en leeftijd? Wij liepen al naar de vijftig. Misschien was het toch beter om de eilanden maar aan de avontuurlijke jeugd over te laten. Wat zou er verder van de opvoeding van onze kinderen terechtkomen en welk een toekomst was er voor hen weggelegd? Wij zouden goede betrekkingen, hoge salarissen, spaarcentjes en nog vele dingen waaraan we veel waarde hechtten, vaarwel moeten zeggen. De bijkantoordienaar vertelde ons dat de prediking op de eilanden moeilijk maar zeer dringend was. Wij dachten er nog eens over na en het liet ons niet los. Ten slotte besloten wij toch te gaan. Naar welk eiland echter? Met de goedkeuring van het Genootschap schreven wij een broeder op één van de eilanden en vroegen wat voor werk er te krijgen was; kon een Australiër land bezitten, een boerderij drijven, een zaak hebben enz.? Wij liepen over van vreugde toen het antwoord kwam met ingesloten een advertentie van een te koop aangeboden boerderij, een klein bezit vrij te aanvaarden, plus een huis.
Wij bezaten nog steeds onze boerderij met ruim 1200 ha land, voorzien van al het nodige en met de modernste machines uitgerust. Ze had ons goede diensten bewezen, maar vergde nu steeds meer van onze tijd en krachtsinspanningen. Ter wille van de kinderen hadden wij haar al die tijd nog aangehouden. Nu vroegen wij ons echter af: Wat heeft het voor zin naar het materialisme der oude wereld te haken? Wij besloten daarom alles te verkopen. Al spoedig meldde zich een koper en nadat we overeenstemming betreffende de prijs hadden verkregen, konden we zonder dat materiële bezittingen ons dit beletten, Australië vaarwel zeggen.
Toen ons besluit eenmaal vaststond, overwonnen we zelfs de grootste moeilijkheden. Wij hadden een aardig, modern gemeubileerd huis, prachtig gelegen aan een weg met pijnbomen. Mensen die ons huis kenden, konden niet begrijpen waarom wij het wilden verkopen. Ronduit gezegd, was het ook niet gemakkelijk. Wij moesten een zeer moeilijke beslissing nemen. We hadden jarenlang gewerkt aan het produktief maken van het land, we hadden het ontgonnen, omheind, bevloeid en er weidegrond van gemaakt, en bij dit alles hadden we steeds onze oude dag en de toekomst van de kinderen in gedachten gehad, en om dan plotseling alles waarvoor wij hadden geleefd en gewerkt en waar wij onze hoop op hadden gesteld, op te geven en te verkopen, was een bijna onmogelijke opgave. Vanuit dit standpunt bekeken, scheen het helemaal niet verstandig en redelijk, in ieder geval niet in de ogen der wereldse mensen. Toch deden wij het.
De dag brak spoedig aan waarop wij onze vrienden, familieleden, onze auto en Australië vaarwel zeiden. Van de overvloed aan materiële bezittingen hielden wij ten slotte zesennegentig kilogram kleding over — het gewicht dat wij per vliegtuig naar de eilanden mochten meenemen. Wij stonden als het ware met lege handen op het punt om als gezin voor de nieuwe wereld te gaan pionieren. De toekomstige zendingsdienst vervulde ons met opgewondenheid en vreugde.
De eerste geestdrift verminderde echter spoedig nadat wij op de eilanden waren aangekomen. Wij hadden tijden van voor- en tegenspoed. Soms scheen het onmogelijk langer voorwaarts te gaan, toch hielden wij vol, hoeveel moeite het ons ook kostte. Dank zij Jehovah’s liefderijke leiding en barmhartigheid willen wij nu dit zeer vreugdevolle oogstgebied dat rijp is voor de bijeenvergadering, nooit meer verlaten. Wij moesten een nieuwe boerderij beginnen, nieuwe gebouwen en omheiningen optrekken, maar met een ander doel voor ogen, namelijk om op het eiland te blijven en de andere schapen des Heren te zoeken en te voeden. Onze zoon hielp op de boerderij, en onze dochter moest haar opleiding nog voltooien — dit geschiedde schriftelijk omdat wij vierenzestig kilometer van een Europese school vandaan woonden. Onder gebed trachtten wij als een theocratisch gezin te leven. Hierdoor konden wij fijn samenwerken, zowel op de boerderij als in de dienst. Onze dochter is op het ogenblik in de vakantiepioniersdienst, wat ons natuurlijk geweldig veel vreugde geeft.
Eerst zorgden wij voor de belangstellenden in het niet-toegewezen gebied door op ongeveer tachtig kilometer afstand wekelijkse bijbelstudies te leiden. Wij begonnen dan vroeg en werkten tot laat in de avond door. Toen er meer openbare lezingen werden gehouden en het van-huis-tot-huis-werk werd ingesteld, begon de plaatselijke belangstelling snel toe te nemen. Nu werken wij dichter bij huis en besteden meer tijd aan het voeden van de belangstellende personen. Kunt u zich voorstellen hoe wij met gekruiste benen op matjes op de vloer zitten bij deze mensen die de bijbel liefhebben en zeer aandachtig met wijd geopende ogen luisteren wanneer wij de bijbelse waarheden aan hen uiteenzetten? Zij lezen erg veel in de bijbel en lezen en herlezen hem. Zij kennen de Schrift zo goed dat sommigen van hen hele hoofdstukken uit het hoofd kunnen opzeggen, maar toch hebben zij weinig begrip van de bijbel. Zij willen de waarheid horen en hebben de waarheid lief, maar voor religie zijn zij zeer bevreesd.
Door hun vrees voor dode geesten beoefenen zij toverij en omdat men hen in het verleden heeft uitgebuit, zijn zij achterdochtig en moeilijk te benaderen. Het doet ons goed hen te horen zeggen dat zij nu de waarheid leren kennen. De omgang met hen en hun gezelschap is een miljoen Australische boerderijen waard! Ze maken graag pret, maar uit alles spreekt hun liefde. De vrouwen nodigen de zusters uit om eerst met hen te gaan zwemmen voordat zij met de studie beginnen. Je kunt merken dat ze je met hun gehele hart liefhebben.
Het is inderdaad een gezegend iets als een gezin Gods werk kan verrichten en de Koninkrijksboodschap aan de mensen kan uitdragen. Wij leiden geregeld twintig of meer bijbelstudies. Onze dochter doet dit met meisjes, onze zoon met jongens en de ouderen worden weer graag door ouderen geholpen bij het neerhalen van de „vrouwenbarrière” welke onder hindoevrouwen bestaat. Met elke stap die wij doen, wordt onze vreugde groter. Het is nu zeer belangrijk de ontwikkelde eilandbewoners te bereiken, die op hun beurt het goede nieuws in hun eigen taal zullen kunnen uitdragen. Velen spreken wel de talen die op de eilanden worden gesproken, maar kunnen ze niet lezen. Om doeltreffend getuigenis te kunnen geven, zijn beide nodig.
Waar zou men beter kunnen dienen? Hoe wonderbaarlijk is het toch deze eilandbewoners te horen zeggen dat zij Jehovah hebben leren kennen, te horen hoe zij onze kinderen hun kinderen noemen en dit omdat zij hen vanwege de waarheid liefhebben. Te zien hoe de belangstelling voor het Koninkrijk en het bezoekersaantal op de vergaderingen toeneemt, deze liefderijke mensen te horen zeggen: „Mijn kinderen zullen alleen in de Heer trouwen,” en dit nadat zij gekluisterd zijn geweest aan de vele eeuwenoude tradities en Oosterse huwelijksgebruiken, te zien hoe zij hun huwelijksaangelegenheden serieus nemen en een rein leven gaan leiden, en hoe een hindoe de bijbelse lectuur aan een zondagsschoolonderwijzer van een eiland uitlegt. Te zien hoe Indiaanse peuters hun eerste Engelse woorden, Jehovah’s naam en de boeken van het heilige Woord leren, en wanneer zij aan de wegkant op het vee passen, of na een dag van onmenselijk zwaar werk op het rijstveld te zien studeren, te weten dat zij in de winkel en op andere plaatsen bespreken waarom afgoderij verkeerd is en hoe prachtig Jehovah’s naam is, om door een oudere Indiaanse moeder broeder en zuster te worden genoemd terwijl ze je vraagt of je met haar mee wilt gaan om de mensen over de ware God te vertellen, alhoewel ze geen enkele taal kan lezen of schrijven maar wel de waarheid in haar eigen taal kan spreken, maakt ons zeer gelukkig. Omdat wij gehoor hebben gegeven aan de roep van de Stille Zuidzee hebben wij dit alles als een kostbare beloning ontvangen. Jehovah’s goedheid vervult ons met een ootmoedige dankbaarheid.
Wij hopen dat door onze ervaring bij u de wens zal opkomen ook naar dit vreugdebrengende gebied te komen dat rijp is voor de bijeenvergadering. Er moeten in de Nieuwe-Wereldmaatschappij van Jehovah’s getuigen nog veel meer personen gehoor kunnen geven aan de oproep daar te dienen waar de behoefte het sterkst word gevoeld.