Een koning zal regeren in rechtvaardigheid
TOEN Christus nederig op de rug van een ezel Jeruzalem binnenreed, werd hij door een schare mensen binnengehaald, die hun kleren en palmtakken op de weg spreidden. Zij verwelkomden hem als hun Koning en Bevrijder door uit te roepen: „Wij bidden, red de zoon van David! Gezegend wie komt in Jehovah’s naam! Wij bidden, red hem in den hoge!” (Matth. 21:9). Deze mensen hoopten dat hij een koninkrijk van vrede zou brengen.
Sindsdien hebben velen over deze Koning gehoord en hebben beweerd zijn volgelingen te zijn. Hun kinderen gaven zij de namen van zijn discipelen, Johannes, Jakobus, Petrus, Mattheüs, Thomas en Paulus. Het gedeelte van de wereld waarin zij de meerderheid vormden, kwam als de christenheid bekend te staan.
Alhoewel deze mensen zeiden trouw te zijn aan de Vredevorst hebben zij niet in vrede geleefd. Zij hebben zijn gebod om elkaar lief te hebben, genegeerd en hebben hun naasten gehaat, gemarteld en gedood. De ergste en meest verwoestende oorlogen hebben zij gevoerd. Toch verbeelden ze zich dat zij volgelingen van Christus, christenen, zijn. Sommigen geloven zelfs dat het de taak der christenheid is om Gods koninkrijk op aarde op te richten.
Hoe kan Christus’ koninkrijk nu door mensen opgericht worden, laat staan door mensen die geen achting hebben voor Gods wetten of voor de door Christus geleerde beginselen?
Dat men in de kerk over hem spreekt en zijn kinderen naar zijn discipelen noemt, wil echter nog niet zeggen dat men hem werkelijk volgt. Ware navolgers van Christus denken evenals hij, leven overeenkomstig dezelfde rechtvaardige beginselen en prediken dezelfde Schriftuurlijke waarheden. Zij zeggen niet dat zij de Koning, Christus Jezus, liefhebben terwijl zij tegelijkertijd de vriendschap der wereld zoeken, die in de bijbel als zijn vijand wordt geïdentificeerd.
De steeds slechter wordende verhoudingen tussen de natiën verleidt sommigen tot de gedachte dat Christus’ regering nog eeuwen op zich zal laten wachten. Het getuigt echter niet van gezond verstand om op grond van wat de natiën doen tot zulk een conclusie te komen. Christus’ regering wacht niet totdat zij zich als beschaafde mensen zullen beginnen te gedragen in plaats van elkaar als redeloze dieren naar de keel te vliegen. Ze wacht niet totdat de mensen in de christenheid naar christelijke beginselen beginnen te leven. Ware dit het geval, dan zou zijn duizendjarige regering niet slechts eeuwenlang maar tot in eeuwigheid moeten wachten.
God heeft Christus de autoriteit en de macht gegeven om op zijn bestemde tijd de volledige heerschappij over deze aarde te gaan oefenen. Wat de natiën doen zal niet van invloed zijn op het tijdstip waarop zijn regering zal beginnen. Hij hoeft niet te wachten totdat het heidendom en de christenheid christenen worden. Ja, Christus heeft de Koninkrijksmacht reeds aanvaard en heerst in het midden van zijn vijanden, zoals door Psalm 110 werd voorzegd.
Op Gods bestemde tijd zal deze hemelse Koning de aarde zuiveren. Het heidendom en de christenheid zullen van de aardbodem worden weggevaagd. „Vraag mij, opdat ik u natiën tot een erfdeel en de einden der aarde tot een bezitting kan geven. Gij zult ze met een ijzeren scepter breken, als een pottenbakkersvat stuk slaan” (Ps. 2:8, 9). Dit is de enige manier waarop hun krankzinnige wedloop naar de vernietiging een halt toegeroepen kan worden. Zij kunnen niet gelijktijdig met het door Christus geregeerde koninkrijk bestaan.
Een grote schare mensen ziet de huichelachtigheid en wetteloosheid der christenheid in en keert haar de rug toe. Zij weigeren nog langer deel te hebben aan haar haatcampagnes en oorlogen. Door de oorlogswapens neer te leggen om een vredig leven te leiden, hebben zij de bijbelse voorzegging in vervulling doen gaan: „Het zal geschieden in het laatste der dagen . . . vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar den berg des HEREN [van Jehovah], naar het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. . . . Hij zal richten tussen vele volkeren en recht spreken over machtige natiën tot in verre landen. Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen.” — Micha 4:1-3, NBG.
Deze vredelievende mensen maken de wereld bekend dat Christus hun Koning en zijn koninkrijk de regering is waarop zij vertrouwen voor zekerheid, gerechtigheid en vrede. Als volk vormen zij een Nieuwe-Wereldmaatschappij, die de verwezenlijking zal zien van de in verband met Christus’ duizendjarige regering gedane beloften.
Dat deze mensen de wegen des vredes hebben leren kennen in een door oorlogen verscheurde wereld en ondanks verschillen op rassengebied en nationaal terrein in liefde zijn verenigd, vormt het bewijs dat er een maatschappij in vrede en zekerheid kan bestaan. Een Australisch nieuwsblad merkte dit op en schreef: „Jehovah’s getuigen vormen de enige beweging die wat wereldvrede betreft succes zal hebben. . . . Zij hebben bewezen dat het mogelijk is in vrede samen te leven.” Zij kunnen in vrede leven omdat zij Christus volgen zoals de discipelen dit deden en niet zoals de christenheid.
Nadat Christus de aarde van het huidige samenstel van dingen heeft gezuiverd, zullen ten aanzien van deze zachtmoedige, vredelievende mensen Jezus’ woorden in vervulling gaan: „Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven” (Matth. 5:5, NBG). Hun zekerheid en vrede zullen niet door wetteloze mensen worden bedreigd, want ’de goddeloze zal er niet meer zijn.’ Dit wordt verzekerd doordat Christus de aarde in rechtvaardigheid zal regeren. Hij zal de hoop hebben vervuld van degenen die hem op de dag dat hij op de rug van een ezel Jeruzalem binnenreed als Koning hebben toegejuicht.
„Zie een koning zal regeren in gerechtigheid en vorsten zullen heersen naar het recht; en ieder zal zijn als een beschutting tegen den wind en als een toevlucht tegen de stortbui.” — Jes. 32:1, 2, NBG.