Mijn doel in het leven nastreven
Zoals Panayotis C. Spiropoulos dit verteld heeft
IN 1929 studeerde ik te Athene, Griekenland, maar ik wilde naar de Verenigde Staten gaan om daar mijn studies voort te zetten en financiële hulp te verkrijgen. Daar dit door de immigratiewetten onmogelijk was geworden, besloot ik ten slotte in 1931 naar Egypte te gaan. Hier in Caïro ontmoette ik een man in een restaurant die met me over de bijbel en het einde der wereld sprak. Ik vroeg hem mij te vertellen hoe verschillende bijbelprofetieën in vervulling waren gegaan. Van dat moment af begon ik de bijbel te bestuderen en de verschillende leerstellingen daaruit met de broeder te bespreken. Het werd me duidelijk wat het verschil was tussen de bijbel en de leer van de Grieks-orthodoxe religie. Mijn leraar gaf mij het boek Uw Koninkrijk Kome (het 3de van de zes delen van Pastor Russells Schriftstudiën). Dit was het eerste door het Genootschap uitgegeven boek dat ik in het Grieks las. De broeder had alleen dit boek maar in het Grieks, dat hij had meegenomen toen hij van Griekenland naar Egypte ging. Later schreef hij naar het Genootschap in Brooklyn en ontving daarvandaan boeken in verschillende talen. Van die tijd af begon ik de publikaties van het Genootschap te lezen en ook te verspreiden, waardoor ik dus mijn levensdoel begon na te streven.
In 1933 kwam er een pionier uit de Verenigde Staten om hier met ons samen te werken en ons te helpen bij het oprichten van bijbelstudies en het verbreiden van de bijbelse waarheden. Een jaar later kwam er nog een pionier uit de V.S. en ik ging samen met hem pionieren. Met ons beiden werkten wij in Caïro en hielpen de mensen van goede wil met hun bijbelstudies. In het begin bezocht ik alleen de Grieks-sprekende mensen, omdat die in Egypte nogal talrijk zijn. Al gauw leerde ik Arabisch spreken, en nu vertellen wij de boodschap in het Grieks, Engels, Frans en Arabisch.
Wij huurden met zijn tweeën een klein kamertje, schaften ons enkele stoelen aan en nodigden de mensen van goede wil uit hier onze vergaderingen te komen bezoeken.
Op een zekere maandag kwam ik bij een Griekse kruidenierswinkel en begon de eigenaar getuigenis te geven. Hij wilde niet luisteren en had geen zin om over religie te spreken, daar hij erg bijgelovig was en zei dat het maandagochtend, de eerste dag van de week was. „Goed, wanneer u niet over religieuze zaken wilt praten, wil ik graag wel eens horen hoe het er met uw zaken voor staat.” Hij vertelde dat zijn zaken niet zo goed gingen en dat hij moeite had om met de inkomsten de uitgaven te dekken. Toen legde ik hem uit dat er niet alleen in Egypte slechte toestanden heersten, maar in alle delen der wereld; en nadat wij over de rommelige politieke toestand hadden gesproken, toonde ik hem aan dat dit alles in de bijbel, Gods Woord, was voorzegd en geschiedde als een vervulling van de bijbelprofetieën over het einde der wereld. Ik nodigde hem ten slotte uit, wanneer hij belangstelling had, lectuur te nemen en die thuis in zijn vrije tijd te lezen. Ik liet hem twee boeken in het Grieks zien, waarop hij vroeg of dit de enige boeken waren welke ik had. „Neen, ik heb ook nog enige brochures.” Daarop vroeg hij of dit de enige boeken waren welke het Genootschap in het Grieks had uitgegeven, waarop ik uitlegde dat er ongeveer tien boeken en meer dan twintig brochures door waren uitgegeven. Hij zei me de volgende dag al de boeken en brochures te komen brengen, en hij voegde er aan toe dat hij eerst dacht dat ik een protestant of een evangelist was, maar toen bij hoorde wat ik hem over de bijbel had te vertellen, wist hij dat ik de waarheid sprak. De volgende dag bracht ik hem al de Griekse publikaties welke hij had besteld en ook enige Franse boeken.
Na enige tijd werd het zeer moeilijk om in Caïro bij de mensen lectuur te kunnen verspreiden; ik ging dus naar een havenplaats en kreeg speciale vergunning van de regering om aan boord te gaan van de handelsschepen om de zeelieden de Koninkrijksboodschap te vertellen. Zij namen ook veel boeken en brochures. Ik ben eens drie dagen aan boord van een schip geweest, terwijl ik de zeelieden bijbelstudie gaf (en ook op dat schip eten kreeg en onderdak genoot). Later werkte ik in Port Saïd, dat geregeld door nog meer handelsschepen werd aangedaan. Toen gingen twee andere pioniers en ik naar Opper-Egypte om daar een veldtocht te voeren, waarbij wij veel boeken verspreidden wanneer wij alle dorpen en stadjes bezochten. Het was hier moeilijk de mensen thuis te bezoeken, zodat wij hen op het werk trachtten te bereiken, waardoor wij bij rechters en regeringsfunctionarissen in hun kantoren kwamen, en ook bij geestelijken en anderen. De geestelijken voelden zich niet erg prettig nadat zij onze lectuur hadden gelezen. Zij zagen hoe de kracht der waarheid hun vredige weideplaatsen kon verstoren; zij lieten dus enkele traktaten drukken en verspreiden, waarin stond dat de mensen onze boodschap niet moesten aanvaarden en geen lectuur van ons moesten kopen. De priesters zonden deze traktaten naar alle plaatsen in Opper-Egypte, zodat de jongens ze op weg naar school konden verspreiden; wanneer wij dan in een andere plaats kwamen, wachtten de mensen ons al op, verlangend om naar onze boodschap te luisteren en om te zien wat er nu wel in onze boeken stond.
Tijdens de 2de Wereldoorlog sloten de Egyptische autoriteiten onze Koninkrijkszaal en namen onze lectuur in beslag; wij moesten dus ondergronds verdergaan met onze activiteiten. Ja, letterlijk ondergronds, in een donker keldertje. Jehovah bleef ons op zijn manier toch van het geestelijke voedsel voorzien en de mogelijkheid om het te blijven uitdelen, bleef open. Wij gingen in die moeilijke tijden gelukkig voort met het werk, vreesden Jehovah en volbrachten zijn geboden. Hij beschermde ons werk en deed het voorspoedig zijn.
Na de oorlog, in 1947, bezochten broeder Knorr en Henschel ons. Het Genootschap trof toen regelingen om een betere vergaderplaats waar het bureauwerk beter verricht kon worden en de slaapgelegenheid beter zou zijn, te openen. Ons keldertje zeiden wij dus vaarwel. Het bijkantoor van het Genootschap in Caïro werd opgericht en wij werden volledig onderricht in de wijze waarop wij het goede werk moesten voortzetten.
Wij hebben nu een Koninkrijkszaal met drie gescheiden vertrekken, waar wij onze vergaderingen in drie verschillende talen houden.
Behalve dat ik het geluk had met duizenden anderen de zegeningen en vreugden van de wereldvergadering in 1953 in het Yankee-stadion te mogen smaken, kreeg ik het voorrecht de tweeëntwintigste klas van Gilead te bezoeken, welke klas op 7 februari 1954 afstudeerde. Daarna keerde ik weer terug naar Egypte, niet „als hulp” maar om beter mijn doel in het leven als zendeling hier in het Nijldal te kunnen nastreven.