Vragen van lezers
● Wij begrijpen dat Johannes’ doop tot vergeving van zonden was welke tegen de Mozaïsche wet waren bedreven, maar dat de waterdoop in Jezus’ naam niet tot vergeving van zonden geschiedt. Er wordt door gesymboliseerd dat de persoon zich er aan opdraagt Jehovah’s wil te doen. Degenen echter die geloven dat ook thans de waterdoop zonden afwast, halen als bewijs hiervan Handelingen 2:38 aan. Wordt hun bewering door deze tekst ondersteund? — A.H., Verenigde Staten.
In Handelingen 2:38 lezen wij „Petrus zei tot hen: ’Hebt berouw, en een ieder van u worde gedoopt in de naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden, en gij zult de vrije gave van de heilige geest ontvangen.’”
De doop van Johannes was voor joden onder het wetsverbond en er werd door te kennen gegeven dat zij berouw hadden van de zonden welke zij tegen die wet hadden bedreven. Dat zij met Johannes’ doop werden gedoopt, was het bewijs van hun berouw en Jehovah vergaf hun hun zonden. Wat hier in Handelingen 2:38 opgetekend staat, is echter iets heel anders. Petrus sprak tot tegenstanders. Het is niet waarschijnlijk dat zij zich aan de doop van Johannes hadden onderworpen ter voorbereiding om Christus te ontvangen; in ieder geval ontvingen zij hem niet maar waren tegen hem gekant en waren verantwoordelijk voor het feit dat hij aan de paal was genageld, daar zij een deel van het huis Israëls waren op wie het bloed van Jezus is gekomen. Toen degenen die naar Petrus luisterden, hoorden dat zij hetzij persoonlijk of als gemeenschap verantwoordelijk waren voor Jezus’ dood, werden zij diep getroffen, zagen hun fout in en vroegen wat zij konden doen om de zaak in het reine te brengen. Petrus zei dat zij berouw dienden te hebben en zich in Jezus’ naam moesten laten dopen opdat zij vergeving van hun zonden konden krijgen. Dit waren geen zonden die tegen het wetsverbond maar tegen Jezus waren bedreven. Over deze zonden moesten zij berouw hebben. Hoe konden zij blijk geven van dit berouw en vergiffenis ontvangen?
Er werd geen vergeving van zonden meer gekregen door het brengen van dierlijke slachtoffers in de tempel te Jeruzalem. Deze regeling dat men door het brengen van tempeloffers vergeving kon krijgen, in welke regeling door de wet was voorzien, was niet meer van kracht. Het thans van kracht zijnde slachtoffer was Jezus, zijn vergoten bloed, en er werd geen andere naam gegeven waardoor mensen vergiffenis konden ontvangen en gered konden worden. Aanvaard hem en verkrijg door bemiddeling van hem en door de verdienste van zijn vergoten bloed, vergeving van God. Zij moesten er blijk van geven dat zij berouw van hun zonden hadden en Jezus en zijn reinigende bloed hadden aanvaard door zich in de naam van Jezus te laten dopen. De doop was slechts een symbool. Deze onderdompeling in water op zichzelf bewerkstelligde geen vergeving van zonden waardoor ze werden afgewassen, zoals iemand een bad neemt om het vuil van zijn lichaam af te wassen. In dat geval zou men steeds weer gedoopt moeten worden om herhaaldelijk nieuwe zonden af te wassen, evenals wij baden om schoon te worden en dan later toch weer een bad moeten nemen. Ook de dierlijk slachtoffers verwijderden niet werkelijk zonden, daar ze slechts voorbeeldig waren en steeds weer herhaald moesten worden. Jezus’ bloed doet dit echter wel, water niet, en „indien er geen bloed wordt vergoten, geschiedt er geen vergeving.” — Hebr. 9:22.
De woorden opgetekend in Handelingen 22:16 luiden: „Waarom talmt gij nu? Sta op, word gedoopt en was uw zonden af doordat gij zijn naam aanroept.” Niet louter door de onderdompeling in water, maar door zijn naam aan te roepen, worden zonden afgewassen. Cornelius riep Jehovah’s naam aan en hij aanvaardde Christus Jezus en werd door heilige geest gedoopt. Opdat dit kon geschieden, moeten zijn zonden vergeven zijn geweest en toch geschiedde dit alles voordat hij in water werd gedoopt. Indien iemand berouw heeft, Christus aanvaardt en vertrouwen stelt in Zijn vergoten bloed kunnen zijn zonden worden vergeven. De onderdompeling in water in de naam van Jezus is belangrijk, maar alleen wanneer het dient als een symbool en openlijk bewijs van het feit dat men berouw van zonden heeft, Jezus aanvaardt en zich er aan opdraagt om evenals Jezus getrouw Jehovah’s wil te doen.
● In De Wachttoren van 1 december 1955, bladzijde 365, de paragrafen 38, 39, staat dat Satan Eva in Eden geen onsterfelijkheid beloofde. Wie heeft deze leerstelling dan ingevoerd, en wanneer? Werd deze leerstelling in Nimrods tijd voor het eerst geleerd? — E.D., Verenigde Staten.
Satan, die de vader der leugen en de voortbrenger van alle valse religie is, moet aansprakelijk worden gesteld voor de leerstelling van de onsterfelijkheid der menselijke ziel. Het schijnt echter dat wij aan zijn uitlatingen tegenover Eva niet de uitleg kunnen geven dat hij haar de onsterfelijkheid van een ziel leerde die apart en afgescheiden van het lichaam was, maar hij deed haar veeleer geloven dat zij zelfs in het vlees geenszins zou sterven.
Wat betreft de tijd waarin deze leerstelling, dat de doden niet werkelijk stierven maar voortleefden, is ontstaan, hierover geeft het boek Qualified to Be Ministers te kennen dat er zelfs vóór de vloed van Noachs tijd mensen waren die in deze leerstelling geloofden. Iets wat hierop duidt, is, dat overlevenden voedsel in de graven van hun doden legden. De hedendaagse leerstelling van de onsterfelijkheid der menselijke ziel kan echter niet tot de tijd van vóór de vloed worden teruggevoerd omdat ten tijde van de Vloed alle valse aanbidding werd weggevaagd en vlak na de Watervloed alleen de zuivere aanbidding werd beoefend. Precies wanneer de leerstelling van een onsterfelijke ziel die na de dood van het menselijke lichaam blijft leven, wederom is ontstaan, is niet na te gaan, maar ze was op zijn minst ten tijde van Nimrods dood gangbaar, want zijn vrouw leerde dat hij na zijn dood een god was geworden en aanbeden moest worden.
● Zeggen niet alleen pessimisten en onheilsprofeten dat de wereld thans moreel zo achteruitgaat? — J.G. Verenigde Staten.
Heel velen denken werkelijk serieus dat de morele maatstaven thans niet anders of lager liggen dan ooit te voren. Toch noemen anderen, die zeer goed op de hoogte zijn van de hedendaagse toestanden, de verblindheid en ongevoeligheid ten aanzien van corrupte regeringen, de verdorven handel en de seksuele misstanden het bewijs voor de morele ineenstorting dezer wereld.
Gerald Heard zegt in zijn boek The Third Morality: „Niemand kan zonder een lichte huivering te voelen naar de hedendaagse beschaving kijken. Deze waarheid ligt voor het oprapen — ze is zo pijnlijk duidelijk dat wij niet eens weten hoe wij er verandering in kunnen aanbrengen.” Een bekende verslaggever schreef: „Wij maken in wezen een morele ineenstorting mee. De kloof tussen datgene wat wij beweren te geloven en wat wij werkelijk doen, wordt hoe langer hoe groter.” Ds. R.J. McCracken vraagt zeer terecht: „Is het morele karakter van de natie — haar politiek, zakenleven, literatuur, toneelwereld, bioscoopwezen, radiostations en televisieuitzendingen — christelijk?” Waar u ook kijkt, u zult elke moraal missen. H.V. O’Brien heeft eens gezegd: „Wij streven er naar zoveel mogelijk te krijgen en er zo weinig mogelijk voor te doen. . . . Als iemand gewoon eerlijk is, is dit zoiets zeldzaams, dat het verbaasde commentaren uitlokt. De dief is een respectabel persoon geworden. De corruptie waart door het land. Arme, onnozele grappenmakers denken dat zij er iets aan kunnen veranderen door overeenkomsten aan te gaan en passende wetten uit te vaardigen. ’s Mensen ziel is echter ziek. Er is meer voor nodig dan dit om hem te genezen.”
Dit zijn niet de woorden van pessimisten en onheilsprofeten, maar van helderdenkende mensen die zich bewust zijn van de toestand en zich ongerust maken over de gang van zaken in de wereld. De morele ineenstorting van de christenheid wordt duidelijk in bijbelse profetieën uitgebeeld. Jesaja schreef hierover: „Het recht wordt teruggedrongen en de gerechtigheid blijft verre staan, want de waarheid struikelt op het plein.” „Het gehele hoofd [van de christenheid en van de wereld] is ziek, en het gehele hart vol krankheid; van de voetzool af tot den schedel is er niets gaafs.” De internationale immoraliteit is een waarschuwend teken ten bewijze dat deze wereld in Armageddon volledig van de kaart gevaagd zal worden. — Jes. 59:14; 1:3-6, NBG.
● Als Jehovah oppermachtig is waarom heeft hij dan de eeuwen door het kwaad laten bestaan?
Het punt waarom het hier draait is de strijdvraag omtrent de soevereiniteit. Het kwaad deed zijn intrede toen een geestelijke zoon Gods tegen Jehovah’s soevereiniteit in opstand kwam. Over deze opstandige geest zegt de bijbel: „Onberispelijk waart gij in uw wandel, vanaf de dag dat gij geschapen werdt, totdat er onrecht in u werd gevonden” (Ezech. 28:15, NBG). Hierdoor maakte dit geestelijke schepsel zich tot een duivel, en hij werd Satan de Duivel en „de oorspronkelijke slang” genoemd. — Openb. 12:9.
Satan bewoog Adam en Eva er toe tegen Gods universele soevereiniteit in opstand te komen. Hij beroemde zich er op dat hij ieder mens zou kunnen omkopen en tot een zelfde daad kon brengen als Adam en Eva gedaan hadden. In de eerste twee hoofdstukken van het boek Job treffen we Satans grootspraak tegenover Jehovah aan. Satan daagde God uit door te beweren dat hij niemand op aarde zou kunnen stellen die hem onder beproevingen getrouw zou blijven. Jehovah stond het de Duivel toe Job aan deze beproeving te onderwerpen maar door Jobs rechtschapen houding werd de Duivel als een leugenaar aan de kaak gesteld. Zo is het de eeuwen door gegaan: God heeft het kwaad laten bestaan opdat het allerbelangrijkste geschilpunt, dat van de universele soevereiniteit, aan een proef onderworpen zou kunnen worden; ’s mensen rechtschapenheid is hier ten nauwste bij betrokken.
Kon God de opstandige Satan en zijn aardse onderdanen Adam en Eva dan niet terstond uitroeien om aldus al het kwaad uit te bannen? Natuurlijk wel, maar als hij dat had gedaan, zouden wij er nooit geweest zijn; en wat belangrijker is, dan zou de strijdvraag nooit bevredigend voor de gehele levende schepping opgelost zijn. Men zou zich tot in eeuwigheid kunnen afvragen, Zou de Duivel als God hem de tijd gegeven had zijn uitdaging waar gemaakt hebben? Had God de mens zo geschapen dat hij onder beproevingen wel onvermijdelijk tegen God in opstand moest komen? Op dergelijke vragen moest een beslissend antwoord gegeven worden.
Dit eiste tijd, ten eerste om Satan de gelegenheid te geven zijn uitdaging waar te maken en in de tweede plaats „opdat men wete dat gij, wiens naam Jehovah is, dat gij alleen de Allerhoogste over de gehele aarde zijt.” Alleen ter wille van deze strijdvraag heeft God goddeloosheid laten bestaan, maar slechts totdat de strijdvraag is opgelost en de universele soevereiniteit van God weer is bevestigd. Waarom God tijdelijk deze goddeloosheid heeft laten bestaan, wordt ons duidelijk gemaakt door wat hij tot de goddeloze Farao zei: „Maar hiertoe heb ik u juist laten bestaan, om u mijn macht te tonen en ten einde mijn naam op de gehele aarde te laten bekendmaken.” — Ps. 83:19; Ex. 9:16.