Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w58 1/2 blz. 73-75
  • Mijn doel in het leven nastreven

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Mijn doel in het leven nastreven
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1958
  • Vergelijkbare artikelen
  • Jehovah’s leiding verheugd aanvaard
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1999
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1960
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1958
w58 1/2 blz. 73-75

Mijn doel in het leven nastreven

Zoals A.E. Tharp dit heeft verteld

NU IK al een kwart eeuw in de volle-tijd-dienst van Jehovah en zijn Koning sta, wil ik eens wat mijmeren over deze aangename, drukke tijd.

In 1929 abonneerde mijn vader zich op Het Gouden Tijdperk. Hij had enige Wachttoren-boeken uit die tijd. Een serie vervolgartikelen in Het Gouden Tijdperk van de hand van Daniël Morgan, „Toen de wereld krankzinnig werd,” trok mijn aandacht en ik genoot er van. De daaropvolgende zomer zag ik bij buurmensen het boek Schepping van mijn vader liggen. Ik was toen zestien en was juist klaar met een cursus in de geologie aan de „high school.” Ik nam het boek mee naar huis en las het met stijgende belangstelling. Toen ik bij het gedeelte over „wijding” kwam, droeg ik mij zonder enig voorbehoud aan Jehovah op. De zomer nadat ik van de „high school” kwam, liet ik me in een bevervijver dopen en begon met de enkele plaatselijke broeders en zusters in de dienst uit te trekken, mijn levensdoel nastrevend.

In de herfst van dat jaar bleek uit De Wachttoren dat wij door twee reizende vertegenwoordigers van het Genootschap bezocht zouden worden, A.H. Macmillan vergezeld van G.Y. McCormick. Tijdens dat bezoek vroeg broeder Macmillan me, „Waarom pionier je niet?” Hij verzekerde me dat het Genootschap mij tot de pioniersrijen zou toelaten, ook al was ik nog minderjarig; er werd dus in allerijl een brief naar Brooklyn gestuurd. In januari 1932 trok ik de stoute schoenen aan en ging naar mijn op ongeveer vijf kilometer gelegen gebied toe. De daaropvolgende zomer gebruikte ik de fiets van mijn broer; toen kreeg ik een oude merrie en gebruikte tot de herfst een rijtuigje, waarna mijn broer mij tot aan zijn dood, twee jaar later, vergezelde.

In Miles City, Montana, V.S., wachtten een andere pionier en ik op onze verwachte toewijzing als speciale pioniers. Het bleek Milwaukee, Wisconsin, V.S., te zijn. In dat jaar (1938) gebruikten wij de grammofoon aan de deuren en verspreidden het boek Vijanden. Wij deden vele ervaringen op. Wel heel bijzonder was de afspraak die ik kreeg met de algemene leider van de „Allis Chalmers Corporation,” toen ik voor hem en zijn kantoorpersoneel de „resolutie” kon draaien. Reeds destijds maakten wij ook het begin van de door het gepeupel gepleegde gewelddaden mee, hetwelk twee jaar later in geheel Amerika zou ontbranden. Wij kregen ook een waardevolle opleiding in het samenwerken met een grote gemeente. Dat was ook mijn eerste opleiding in het spreken in het openbaar, hetwelk later op Gilead nog flink wat bijgewerkt moest worden.

Ten slotte werden Aarne en ik voorgoed gescheiden en ik werd toegewezen aan het zonedienaarwerk, dan weer als speciale pionier, en later broederdienaardienst. In die tijd werden wij in Kansas en Oklahoma geregeld door het gepeupel aangevallen en ook gearresteerd, maar wij werden er hechter door aaneengesmeed en leerden de organisatie-instructies nog beter gehoorzamen.

Wij hoorden na broeder Rutherfords dood dat een gebouw dat het Genootschap bij zijn leven had opgezet, bovenin de staat New York, de Gileadschool was geworden, waar broeders en zusters opgeleid zouden worden voor de zendingsdienst. Zou ik ingeval ik er voor uitgenodigd zou worden, hieraan gehoor geven? Zou ik bereid zijn bestaande banden door te snijden en vriendschappen op te geven om de evangeliebediening in een ander land te kunnen opnemen?

In het najaar van 1943 bleek mij de onschatbare waarde van de opleiding te Gilead, toen ik in Danville, Kentucky, een afgestudeerde van de eerste klas ontmoette. Hij deed broederdienaarwerk. Wij hadden jaren voordien in Texas reeds kennis met elkaar gemaakt. Hoe was hij veranderd, en dat was toch zeker voor een deel wel aan zijn Gileadopleiding te wijten, zo dacht ik. Ons gesprek overtuigde me er van dat Gilead een ernstige stap was, een stap die het nemen waard was.

Ja, ik kreeg een uitnodiging; en ik zat in de derde klas met de anderen die daarvoor waren uitgenodigd. Wij werkten hard! Voor het eerst kwam ik achter met het lezen van De Wachttoren en Ontwaakt! Het werk was toch prettig en bijna iedereen deed zijn uiterste best om aan de vereisten te voldoen. Wij kwamen onder de indruk van de vriendelijkheid en het geduld van de leraars. Er viel nog zoveel te studeren, dat wij wensten dat wij er een jaar in plaats van vijf maanden konden blijven. Het was ondertussen echter juli geworden, diploma-uitreiking, het uitdelen der toewijzingen en het uiteengaan. Ik kreeg een toewijzing voor het broederdienaarwerk en genoot er na Gilead nog meer van dan daarvoor.

Omstreeks februari 1946 kreeg ik te McMinnville, Oregon, een brief van broeder Knorr. Ik was ten slotte toegewezen aan Trinidad, Brits West-Indië. Spoedig had ik op de kaart gezien dat het een klein eilandje was voor de kust van Venezuela, ongeveer tien graden ten noorden van de equator. Ik bracht toen enkele dagen bij mijn familieleden door om afscheid te nemen, ging een week naar Brooklyn-Bethel om een en ander van de bureauprocedure te weten te komen en vertrok toen naar Miami en vandaar naar Trinidad!

Wij landden bij het aanbreken van de dag op het vliegveld van Trinidad, hetgeen een prachtig groen plekje omgeven door verrukkelijke bergen en suikerrietvelden bleek te zijn — mijn nieuwe tehuis! Een broeder uit mijn klas te Gilead, die aan een naburig eiland was toegewezen, bezocht Trinidad. Met twee anderen was hij overgekomen om de vergadering te bezoeken waarop de broeders Knorr en Franz zouden spreken. De bijkantoordienaar stond ook op het vliegveld en al spoedig waren wij aan elkaar voorgesteld en op weg naar de stad. Hoe anders was dit alles! Ossekarren, palmbomen, kleine hutten en donker getinte mensen — hetgeen me veel deed denken aan mijn tijd in Laredo, Texas. Broeder Knorr kocht het gebouw dat zendingshuis en bijkantoor zou worden. Daar bleef ik van mei tot oktober alleen, want toen pas kwamen de andere zendelingen. Bijna elke zondag trokken de plaatselijke broeders en zusters en ik in de dienst uit, hielden vaak een openbare lezing, waarvoor in de open lucht zo gemakkelijk regelingen getroffen konden worden en die ook nu nog goed bezocht worden. Toen de anderen arriveerden waren wij met zijn negenen in het huis. Er moest veel werk verzet worden; de resultaten waren echter al spoedig zichtbaar. Toen het huis werd geopend was er in het gebied van Port of Spain een gemeente van 60 verkondigers. Nu zijn er ongeveer 400, die tot zeven gemeenten behoren. Dat werd spoedig in het gehele onder het bijkantoor vallende gebied zichtbaar, zodat wel 3500 personen de hier en elders gehouden vergaderingen bezochten.

Het bijkantoor is goed georganiseerd en geeft er blijk van dat Jehovah’s zegen er op rust. Enkelen van de oorspronkelijke negen zijn er nog, en een hunner werd mijn vrouw.

Mij rest nog te zeggen tot allen van jullie, mijn jongere broeders die er nu over denken Jehovah te behagen, dat het goed is jullie Schepper in de dagen van je jeugd te gedenken. Wordt pionier en blijft pionier; je zult er nimmer spijt van hebben. Mocht je een uitnodiging voor Gilead ontvangen, gaat dan, doch niet met de gedachte dat je zult terugkomen. Blijft in je toewijzing. Vervolging maakt je niet zwakker; ze versterkt de zuiveren van hart die Jehovah vrezen. Bedenkt wel dat de Nieuwe-Wereldmaatschappij van Jehovah is en hij zal er naar zijn behagen mee handelen en er alles in corrigeren wat er niet in deugt. Wij dienen niet te kniezen; wij moeten in geloof en geduldig volharden groeien, en als dienstknechten van Jehovah die hem exclusief zijn toegewijd, ons levensdoel blijven nastreven. Wanneer wij het onze doen, kunnen wij er altijd van verzekerd zijn dat Jehovah het zijne zal doen. Mogen wij allen samenwerken om door zijn onverdiende goedgunstigheid succes te hebben, zijn goedkeuring behoudend in verband met de rechtvaardiging van zijn naam en onze eindeloze voorrechten in zijn nieuwe wereld.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen