De waarheid maakt een ter dood veroordeelde gelukkig
IN THE Watchtower van 15 augustus 1956 stond een brief waarin werd verteld dat er in de „Dodencel” van de „Disciplinary Barracks” te Fort Leavenworth, Kansas, V.S., werd gepredikt. Er werden daar in de gevangenis met drie veroordeelden bijbelstudies geleid, en een hunner was zelfs in de gevangenis gedoopt. Zes maanden later ontving het Genootschap een brief van deze dopeling, waaruit wij het volgende aanhalen:
„Tegen de tijd dat u deze brief ontvangt, zal mijn vonnis voltrokken zijn. . . . In december 1954 heb ik mijn opdracht aan Jehovah door de waterdoop gesymboliseerd en alhoewel ik opgesloten ben, ben ik gelukkiger geweest dan ooit tevoren, daar ik vooruitging en vorderingen maakte op de weg tot rijpheid. Zonder Jehovah’s voortdurende leiding en zegen had ik dat nooit kunnen doen. Mijn grootste hulp is De Wachttoren geweest, want daardoor kreeg ik het geestelijke voedsel dat geheel Jehovah’s volk zo nodig heeft. Broeders, ik bid Jehovah dat hij jullie zal blijven zegenen en leiden door zijn heilige geest, dat jullie van dag tot dag het goede nieuws van Zijn redding mogen blijven vertellen. Jehovah heeft in mij door toedoen van jullie een onwrikbaar geloof verwekt en ik hoop dat Jehovah mijn roeping waardig zal keuren en mij met jullie leven in de Nieuwe Wereld zal geven.” Kort nadien ontvingen wij tevens een brief van de bedienaar van het evangelie die deze veroordeelde broeder had onderwezen. Hij schreef ondermeer:
„Deze brief zal jullie het een en ander nader vertellen over broeder Edwards. Op 14 februari 1957, vlak na middernacht, werd zijn doodsoordeel door het vuurpeloton voltrokken. [Voordat deze man een getuige werd, werd hij in april 1953 ter dood veroordeeld, omdat hij toen hij bij het Amerikaanse leger in het buitenland diende, een Duits meisje had gedood.]
Ik mocht broeder Edwards slechts in beperkte mate bezoeken. Van oktober 1954 tot 15 december 1956 mocht ik een uur per maand bij hem zijn om met hem te studeren. De laatste twee maanden een uur per week, zodat hij zijn kennis merendeels opdeed door persoonlijke studie.
De laatste weken van zijn leven was het broeder Edwards voornaamste zorg, ’Hoe kan ik Jehovah’s goedkeuring wegdragen?’ Het gebeurde dan ook meer dan eens dat ik hem, wanneer ik daar voor mijn bezoeken kwam, met de bijbel in zijn hand van achter zijn getraliede hek getuigenis zag geven aan de bewaarder buiten. Hij vertelde me dat hij veel gelegenheid had om de andere gevangenen en de bewaarders getuigenis te geven, daar hij en twee anderen de laatste twee maanden voortdurend in het oog werden gehouden. De laatste tien dagen van zijn gevangenisleven werd hij naar een cel alleen gebracht, waar hij slechts met de bewaarders kon praten. In die tijd sprak ik met hem terwijl het ijzeren hek tussen ons in was en de bewaarder bij de studies naast me zat. (Voordien mocht ik alleen met de broeder in de cel zijn.) Bij mijn allerlaatste bezoek mocht ik zijn cel binnengaan, nadat ik mijn jas had uitgedaan en ’om veiligheidsredenen gefouilleerd was.’
De laatste twee maanden was de bezoektijd geheel gevuld met bijbelse vragen en antwoorden en een studie uit De Wachttoren. Maandagavond, 11 februari, gaf ik hem de laatste nummers van De Wachttoren en Ontwaakt! en ook het 1953 Report of the New World Society Assembly of Jehovah’s Witnesses [het verslag van de in 1953 door Jehovah’s getuigen belegde vergadering der Nieuwe-Wereldmaatschappij]. Hij zei toen: ’Broeder Smith, ik zal niet veel tijd hebben om ze te bestuderen, maar ik zal ze wel lezen.’ Voor zover hij zich kon herinneren, had hij behalve mij nooit iemand anders van Jehovah’s getuigen ontmoet. Hij las het congresverslag. Toen ik hem woensdagavond voor het laatst bezocht, gaf hij het mij en zei: ’Dit is het mooiste wat ik ooit gelezen heb, ja, onder het lezen heb ik zelfs gehuild. . . . Er is geen organisatie als de Nieuwe-Wereldmaatschappij.’
Mijn laatste bezoek duurde een uur en liep woensdagavond om 10.30 n.m. ten einde. Dank zij Jehovah’s geest heerste er geen gedrukte stemming toen wij spraken over de hoop op een opstanding ten leven. Met geen pen kan beschreven worden hoe het gelaat van een man die nog maar anderhalf uur te leven had, straalde toen hij me vaarwel zei. ’Wanneer de broeders en zusters vragen hoe ik me voel, zeg dan maar: goed.’”
Broeder Edwards schreef het volgende naar de plaatselijke gemeente:
„Daar ik er van overtuigd ben dat broeder Smith jullie in kennis heeft gesteld van mijn crisis en vroeger of later ook van mijn vooruitgang in Jehovah’s dienst, zijn wij geen vreemden voor elkaar. Ik wil jullie slechts laten weten dat onze liefderijke God Jehovah me onverdiende goedgunstigheid en barmhartigheid heeft bewezen door me tot zijn dienst te roepen en zijn waarheidswoord aan mij te openbaren. Zonder de hulp van zijn getuige, broeder Smith, had ik echter geen vooruitgang kunnen maken; hij leidde mij teder en geduldig op de weg waardoor ik mijn levensdoel, tot rijpheid te komen, kon nastreven.
Ik weet dat ik spreek alsof ik jullie in de gemeente allen persoonlijk ken. Zo voel ik het echter aan, omdat broeder Smith me van tijd tot tijd het een en ander over de daar verrichte activiteiten heeft verteld, waardoor ik tot jullie werd getrokken door de liefde welke er over de gehele wereld onder Jehovah’s Nieuwe-Wereldmaatschappij bestaat. Gedreven door deze liefde voor Jehovah en jullie heb ik deze brief geschreven. Is het niet wonderbaarlijk hoe de geest van onze liefderijke Schepper werkzaam is?
Broeders, onze gelukkige God Jehovah wil dat ook wij gelukkig zijn. Weest niet bedroefd over de manier waarop ik van jullie heenga. Mijn hart is onwankelbaar en vertrouwt op Jehovah, en ik hoop dat wij elkaar in de Nieuwe Wereld van aangezicht tot aangezicht zullen zien, om Jehovah dan voor altijd te loven. Blijft dus bezig met het goede werk, predikt van dag tot dag. Geeft het nimmer op. Predikt, predikt, predikt! want ook jullie weten hoe belangrijk dit is (Matth. 24:14). Moge Jehovah’s geest op jullie blijven rusten en jullie sterken om verder in zijn dienst te staan tot door de strijd van Armageddon heen in zijn nieuwe wereld van rechtvaardigheid.
Jullie medewerker in Jehovah’s dienst,”
[handtekening] THOMAS EDWARDS
Merk op dat er niet eenmaal sentimentele illusies over een naar de hemel gaan in voorkomen; evenmin een vertrouwen in een sterfbedbekering, maar de brief getuigt van een gestadige groei tot geestelijke rijpheid gedurende de meer dan twee jaren.
Alhoewel zijn moeder Jehovah’s getuigen niet gunstig gezind was, eerbiedigde zij het verzoek van haar zoon om door de getuigen begraven te worden. Daarvoor werd het gemeenschapscentrum gebruikt en er waren ongeveer 350 aanwezigen. De spreker gaf een goed getuigenis van Jehovah, hetwelk de begrafenisleider de uitlating ontlokte: „Dit is de eerste door de getuigen van Jehovah geleide begrafenis welke ik heb gezien. Het was de verstandelijkste begrafenistoespraak welke ik ooit heb gehoord. Mijn kijk op Jehovah’s getuigen is er door vergroot.”
Elke donderdagavond bezoekt broeder Smith nog steeds deze gevangenis daar hij een studie met twee anderen heeft, die eveneens in de gevangenis hun standpunt aan Jehovah’s zijde hebben ingenomen.