Vragen van lezers
● In Markus 9:47, 48 (NBG) staat: „En indien uw oog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit. Het is beter, dat gij met één oog het Koninkrijk Gods binnengaat, dan dat gij met twee ogen in de hel geworpen wordt, waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust.” Bewijst dit niet dat de goddelozen eeuwig gefolterd zullen worden?
Om voor eeuwig in vuur gemarteld en tot in eeuwigheid door wormen verteerd te kunnen worden, moet de ziel van de goddeloze onvernietigbaar, onsterfelijk zijn. Uit het antwoord op de vraag uit ons vorige nummer blijkt echter dat dit niet het geval is; er is gebleken dat de zondige ziel sterft en in het geheel geen bewustzijn meer bezit. God vertelde Adam in Eden niet dat hij als straf voor zijn ongehoorzaamheid eeuwig gepijnigd zou worden. Hij zei hem wel: ’Gij zult den dood sterven.’ Duizenden jaren later was de straf nog steeds hetzelfde, „De bezoldiging der zonde is de dood,” dus geen eeuwige pijniging. — Gen. 2:17; Rom. 6:23.
Hoe staat het dan met de in de vraag aangehaalde tekst van Markus 9:47, 48? Er wordt hier klaarblijkelijk symbolische taal gebruikt, welke niet letterlijk opgevat kan worden. Niemand die gelooft dat er in de hel vurige pijnigingen zijn, rukt zijn oog uit wanneer hij wellustig of begerig ergens naar kijkt, en toch zou hij dit moeten doen wanneer hij deze tekst letterlijk opvat en hij niet eeuwig in een vuur geroosterd wil worden. Wanneer de niet stervende wormen en het onuitblusbare vuur letterlijke gevaren zijn welke gemeden moeten worden, moet het middel ter ontkoming ook letterlijk worden aangewend. Geen verstandig in eeuwige pijniging gelovend mens hakt een hand of voet af of rukt een oog uit omdat deze delen van het lichaam bij de een of andere zonde zijn betrokken. De taal is symbolisch met inbegrip van het gedeelte over de wormen en het vuur.
In het oorspronkelijke Grieks staat het woord gehenna dat met „hel” is vertaald. Het is afkomstig valt de Hebreeuwse uitdrukking gei-Hinnom, waarmee een ten westen en zuiden van het oude Jeruzalem gelegen dal werd aangeduid. Onder de latere koningen van Juda werd het voor afgodsaanbidding gebruikt, en om dit in de toekomst te voorkomen liet de getrouwe koning Josia de vallei ontheiligen en werd ze langzamerhand de stort- en verbrandingsplaats van Jeruzalems vuil. Er werd zwavel aan het vuur toegevoegd om het vuur brandende te houden zodat al het vuil zou verdwijnen. De lichamen van dode dieren werden ter verbranding in het dal geworpen en nu en dan gebeurde dit ook met de lichamen van gevonniste misdadigers welke men te gemeen achtte om voor een opstanding in aanmerking te komen. Wanneer de lichamen in het vuur terechtkwamen, werden ze hierdoor vernietigd, maar wanneer ze zonder de vlammen beneden te bereiken, op een rand van het diepe ravijn belandden, werden ze door de wormen verteerd. Als gevolg hiervan was het dal van Hinnom met zijn verzengende vlammen en verslindende wormen, waar waardeloze dingen in werden geworpen, voor de joden van Jezus’ dagen een symbool van de dood waaruit geen opstanding mogelijk was. Het hield vernietiging in, de „tweede dood,” een eeuwige vernietiging of straf. Van dit letterlijke dal van Hinnom, of Gehenna, en van de betekenis welke het had, is het symbool van „den poel des vuurs en sulfers” afkomstig. Men hechtte er de betekenis aan van dood zonder hoop op een opstanding: „Den poel, die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood.” — Openb. 21:8; 19:20; 20:10, 14, 15.
Wanneer men Markus 9:47, 48 daarom op de juiste wijze begrijpt, zijn deze schriftuurplaatsen niet in strijd met de andere welke tonen dat de straf voor zonde de dood is. Ze ondersteunen eerder de doodstraf dan de theorie der eeuwige pijniging.