Niet storen!
SOMS hangt er op de deur van een ziekenkamer een bordje met de woorden, „Niet storen.” Op de deur van de meeste mensen die beweren christenen te zijn, hangt precies zo’n bordje. Het wordt tijd dat ze dit eens beseffen, want dat doen maar weinigen. U kunt het hun evenwel zeggen; de gemiddelde kerkganger wil niet met het goede nieuws van Gods koninkrijk lastig gevallen worden. Wanneer Jehovah’s getuigen bij het huis van een stoor-me-niet-christen aanbellen, krijgen zij vaak te horen: „Valt u me niet lastig; ik ga naar de kerk.” Wat houdt die kerkgang dan wel in?
Simeon Stylites had hierover in The Christian Century van 13 februari 1957 dit te zeggen: „Soms schijnen wij de lijfspreuk voor ons kerkelijke leven aan de kapper ontleend te hebben: ’Ga er maar licht over heen.’ En wat gaan wij er licht over heen! Een componist heeft eens gezegd, ’Niemand die een piano met een plumeau bespeelt, in plaats van diep in de muziek door te dringen en er alles uit te halen, kan ooit een concertartiest worden.’ Dat doen te veel van ons. Een lidmaat van een kerk te zijn, zou ons leven eigenlijk zeer in opschudding moeten brengen, want zo is het met werkelijk alles om ons heen het geval. Wij doen echter vaak alsof we van een sportclub lid zijn geworden, alleen dan met dit verschil dat het ons niet zo veel geld kost.”
„Er ontbreekt iets in mijn kerk,” schrijft Alex Robertson in hetzelfde nummer van The Christian Century: „Er hangt een ’stoor-me-niet’-atmosfeer rondom ons. Het was geloof ik E. Stanley Jones, die zei, ’Christendom dat niet bij de persoon zelf begint, begint helemaal niet; en christendom dat bij de persoon zelf eindigt, eindigt totaal.’ Ik geloof dat dit de kern van de zaak is.
Wij beginnen in onze kerk zoals het hoort bij de persoon zelf, maar doen geen krachtige pogingen afzonderlijke christenen zo te leiden dat zij zich een wereldbeschouwing eigen maken welke God eert en ons, individuen, tot die telos, die rijpheid, brengt welke de erfenis van Gods kinderen is. . . . In de afgelopen zomer kwam er een jonge predikant uit Princeton en predikte dat de wereld op haar kop gezet zou moeten worden. Voorzichtigheidshalve zette hij niet uiteen waarom zo’n maatregel gewenst was. . . . Hij zette heidenen en christenen niet naast elkaar om ze met elkaar te vergelijken. Hij zinspeelde niet op de wereldschokkende oorlogen en revoluties van onze tijd. Hij scheen zich in het geheel niet bewust te zijn van de tekenen der tijden, en toen deze jonge predikant er na een half uur mee was opgehouden de wereld op haar kop te zetten, gingen wij allemaal weer naar huis, naar onze biefstuk en ons middagdutje.”
Stoor-me-niet christenen slapen; nog erger, ze zijn geestelijk ziek. Dergelijke sluimerende, geestelijk zieke mensen dienen voordeel te trekken van de waarschuwende raadgeving: „Jehovah’s dag komt precies als een dief in de nacht. Laten wij dus niet doorslapen gelijk de overigen.” — 1 Thess. 5:2, 6, NW.