Vragen van lezers
● Op grond van het in De Wachttoren van 15 september 1956 vermelde over de doop, hebben een aantal personen gevraagd of het raadzaam was nogmaals gedoopt te worden. Zij zeggen dat zij thans daarin een beter inzicht hebben dan toen zij werden gedoopt. Ook werd sommigen jaren geleden verteld dat wanneer zij door een der christelijke religieuze stelsels in water waren ondergedompeld, dit toereikend was om hun opdracht te symboliseren, aangenomen dat zij destijds ook begrepen dat zij zich aan het doen van Jehovah’s wil opdroegen, maar nu staat er in dit artikel (bladzijde 426, paragraaf 14) dat de in de religieuze stelsels der christenheid ondergane doop niet geldig is en dat deze personen zich door Jehovah’s theocratische organisatie opnieuw moeten laten dopen. Zij vragen ons nu of zij nogmaals gedoopt moeten worden, en zo ja, wat er dan op hun Kaart met gegevens over verkondiger aangegeven moet worden als de datum waarop zij zich hebben opgedragen. Deze laatste doopdatum, alhoewel men misschien al tien of twintig jaar of nog langer in de waarheid is en actief getuigenis geeft?
In verband met de vraag welke door enkele personen wordt gesteld die al eens door Jehovah’s getuigen zijn gedoopt en zich thans afvragen of zij naar aanleiding van het bovenvermelde artikel niet nogmaals gedoopt moeten worden, zouden wij kunnen vragen: Begrepen zij de dooplezing welke zij voordat zij werden ondergedompeld, aanhoorden? Begrepen zij dat zij door de onderdompeling in water symboliseerden dat zij zich in hun hart reeds hadden opgedragen, dat zij reeds vóór God de gelofte hadden afgelegd of het besluit hadden genomen zijn wil te doen? Waren de vragen welke hun bij hun doop worden gesteld, niet duidelijk? Brachten de lezing en deze vragen hun niet duidelijk en krachtig de vereisten onder de aandacht? Wanneer de dooplezing een duidelijke toelichting van de aangelegenheid gaf en de candidaten duidelijke en zorgvuldig onder woorden gebrachte vragen werden gesteld, waarom zou dan iemand die ze toen bevestigend beantwoordde, nu zeggen dat hij niet wist of begreep wat hij deed?
Wij zijn allen ongetwijfeld gegroeid in ons inzicht inzake het zich opdragen sinds wij dit door onderdompeling in water hebben gesymboliseerd. Stellig begrepen wij toen wij ons aan God opdroegen, niet ten volle of zo volledig als thans wat wij deden. Dit betekent echter nog niet dat wij opnieuw gedoopt moeten worden. Dit Wachttoren-artikel heeft niets meer of niets anders gezegd dan wat er in voorgaande artikelen over het onderwerp werd uiteengezet, behalve dan dat sinds 1918 n. Chr., toen Jehovah God vergezeld van zijn Boodschapper des verbonds tot de tempel kwam en de christenheid verwierp, de in de religieuze organisaties der christenheid ondergane doop niet meer als toereikend wordt beschouwd.
Deze onzekere personen moeten dus vaststellen wanneer zij zich bewust aan God hebben opgedragen, welke opdracht zij zich thans met een bevredigd geweten duidelijk kunnen herinneren, en ook al zijn zij jaren geleden gedoopt, dan dienen zij toch nogmaals gedoopt te worden als symbool dat zij zich werkelijk aan God hebben opgedragen, en die datum dient op de Kaart met gegevens over verkondiger vermeldt te worden.
Wanneer iemand terwijl hij het ten volle begrijpt, eenmaal is gedoopt ten teken van zijn opdracht, is er geen enkele noodzaak of aanleiding om nogmaals gedoopt te worden, ook al valt hij een tijdje terug of wordt hij inactief, evenmin als een lid van Christus’ lichaam wederom gezalfd moet worden. De doop welke hij eenmaal heeft ondergaan, blijft voor altijd als een getuigenis bestaan dat hij zich aan Jehovah heeft opgedragen, en is een onuitwisbaar teken van zijn verplichtingen tegenover God.
Nu wat betreft de doop of volledige onderdompeling van hen die leden zijn geweest van een religieuze organisatie der christenheid voordat zij met Jehovah’s getuigen in aanraking kwamen: Wegens hun gedrag werden de religieuze stelsels der christenheid in 1918 door het oordeel dat Jehovah door bemiddeling van Zijn Boodschapper in Zijn tempel velde, definitief verworpen. Voor die tijd bevonden er zich in die stelsels nog velen die nauwgezet hun bijbel bestudeerden en gingen onderscheiden dat zij zich door bemiddeling van Christus aan God moesten overgeven, opdragen of „wijden,” om van dat ogenblik af Zijn wil te doen, en daarbij op Zijn hulp via Zijn heilige geest moesten vertrouwen. Terecht zagen zij in dat alleen de waterdoop door een algehele onderdompeling er een passende afbeelding van was dat zij zich door bemiddeling van Christus aan God hadden overgegeven. Daarom lieten zij zich door een geestelijke of een daartoe gemachtigde functionaris in het religieuze stelsel onderdompelen „in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes,” en vertrouwden er op dat Gods geest in hun leven werkzaam zou zijn zoals in de Schrift, welke zij hadden gelezen en waarmede zij op de hoogte waren, stond aangegeven.
Er zij opgemerkt dat dergelijke personen zich door bemiddeling van Christus werkelijk aan God hebben opgedragen, om Zijn heilige geest hebben gebeden, en zich er later altijd door verplicht hebben gevoeld. Zij hebben zich niet aldus door bemiddeling van die geestelijke of de een of andere functionaris die hen doopte, aan God opgedragen. Dit wordt bevestigd door het feit dat zij, nadat zij de waarheden leerden kennen zoals die door Jehovah’s getuigen werden uiteengezet, het niet als hun plicht beschouwden zich wederom aan God op te dragen, maar ’uit haar te komen,’ uit het tegenbeeldige Babylon, om welke reden zij de banden met de religieuze stelsels verbraken, getuigen van Jehovah werden en Zijn wil met een betere kennis van zaken en een helderder inzicht bleven doen. Zij lieten zich niet nogmaals dopen, maar kwamen met volharding hun vorige opdracht aan Jehovah na en Jehovah toonde dat hij hen had aanvaard doordat hij hen in zijn dienst gebruikte en door bemiddeling van hen de werking van zijn geest tentoonspreidde, terwijl zij terzelfder tijd de vruchten van Zijn geest voortbrachten. Dit geeft te kennen dat niet dat wat de doper (een geestelijke of iemand anders) begrijpt of denkt, maar dat wat de ondergedompelde denkt, begrijpt en doet, de essentiële factor ter bekrachtiging van een opdrachtsgelofte is. Het zich opdragen en het watersymbool waren juist en God gaf te kennen dat hij het aanvaardde door zijn geest op de ondergedompelde te leggen. Waarom zou men zich dan nadat men het tegenbeeldige Babylon heeft verlaten en een van Jehovah’s getuigen is geworden, ter vervulling van zijn opdracht wederom laten dopen?
Let vooral eens goed op wat de bovengenoemde paragraaf 14, op bladzijde 426, van De Wachttoren zei: „Dikwijls vraagt men of iemand die zich reeds eerder plechtig door een religieuze groep heeft laten dopen, opnieuw gedoopt dient te worden wanneer hij tot een nauwkeurige kennis der waarheid komt en zich aan Jehovah opdraagt” Let op die laatste vijf woorden: „En zich aan Jehovah opdraagt.” Dat wil dus zeggen dat men zich opdraagt nadat men de door Jehovah’s getuigen bekendgemaakte waarheden heeft ontvangen en het tegenbeeldige Babylon heeft verlaten. Dit houdt in dat een dergelijke persoon niet zijn opdracht aan God symboliseerde toen hij door een functionaris van het religieuze stelsel „in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes” werd gedoopt, maar daardoor slechts een lidmaat van dat stelsel werd. Nadat die persoon zich met Jehovah’s getuigen had verbonden, zag hij derhalve in dat het noodzakelijk was zich aan God op te dragen en dit te symboliseren. Hij wordt dus terecht nogmaals gedoopt. Wat overeenstemt met het in Handelingen 19:1-7 vermelde bericht dat er twaalf mannen werden herdoopt, omdat zij slechts in de naam van de Vader waren gedoopt, maar niet in die van Jezus noch in die van de heilige geest, waarvan zij nog niets hadden vernomen, zodat hun voorgaande algehele onderdompeling niet in de naam van alle er bij betrokken factoren was geschied, om welke reden zij niet de heilige geest konden ontvangen alvorens Paulus hen opnieuw had gedoopt.
Wanneer iemand, nu de roep om uit Babylon te komen duidelijk weerklinkt, dit hoort en desondanks toch in een religieus gedeelte van het tegenbeeldige Babylon blijft en daar wordt gedoopt geldt deze onderdompeling niet. Hij kan namelijk niet het besluit hebben opgevat zich aan het doen van Gods wil op te dragen, omdat, aldus paragraaf 14, „men zich, zelfs voordat men tot de doop zou overgaan, van dergelijke God-onterende Babylonische stelsels [zou] hebben afgescheiden.” Zo iemand zou zich alleen op een aanvaardbare wijze aan God kunnen opdragen nadat hij ’uit Babylon was gekomen,’ en deze opdracht zou hij dan moeten symboliseren door zich wederom volledig in water te laten onderdompelen. De datum waarop deze nieuwe doop geschiedde, dient op de Kaart met gegevens over verkondiger in het systeem van de gemeente waarmede hij is verbonden, te worden vermeld. De datum waarop men zich heeft opgedragen, staat nimmer aangegeven, maar er wordt aangenomen dat dit aan de doop is voorafgegaan.
Wanneer iemand een doopdienst bijwoont, maar niet bij de doopcandidaten is gaan zitten en de gestelde vragen niet mondeling beantwoordt, maar achteraf toch besluit zich ten bewijze van zijn opdracht aan God te laten dopen, zich daarom bij de rij dopelingen voegt en dan ook werkelijk op dezelfde basis als zij wordt gedoopt, verplicht die persoon zich door bemiddeling van Christus de wil van Jehovah God te doen. Zijn gesymboliseerde opdracht moet als een eeuwigdurende afspraak blijven bestaan en hij dient zich daardoor gebonden te beschouwen voor het aangezicht van God. God las zijn hart en zag wat hij deed en houdt hem daarom aan de door hem afgelegde openbare bekendmaking van zijn opdracht. In de toekomst zou het echter beter zijn, dat zo’n persoon naar de spreker gaat wiens dooplezing hij heeft gehoord en hem dan vraagt hem de twee vragen persoonlijk te stellen opdat hij er een bevestigend antwoord op kan geven.