Vreest u de mens of God?
VELEN maken er zich zorgen over wat mensen er van zullen denken. Wanneer zij iets verkeerds kunnen doen, zonder dat mensen dit zien, doen zij dit. Er wordt niet in het minst rekening mee gehouden dat Jehovah God het ziet. Zij maken er zich zorgen over dat de mensen het zullen bemerken, maar het laat hun koud hoe God er over denkt. Hoe krom geredeneerd! Zij willen in de ogen der mensen goed lijken, maar het deert hun niet hoe zij er in Gods ogen uit zien. Niet mensen zijn belangrijk maar God. Hoe komt het dat de mensen bang zijn voor elkaar en God vergeten?
Wellicht denken zij dat God barmhartiger is, meer begrip heeft voor hun zwakheid en het hen zal vergeven, terwijl mensen niet zo clement zullen zijn. In dergelijke gevallen is het echter waarschijnlijker dat zij denken dat zij wanneer de mensen er geen weet van hebben, voor het verkeerde niet gestraft zullen worden. In Prediker 8:11-13 (NBG) staat: „Omdat het vonnis over de boze daad niet aanstonds voltrokken wordt, daarom is het hart der mensenkinderen in hen begerig om kwaad te doen, daar een zondaar honderdmaal kwaad doet en toch lang leeft. Nochtans weet ik, dat het den godvrezenden wel zal gaan, omdat zij voor Hem vrezen; den goddeloze daarentegen zal het niet wel gaan en hij zal zijn levensduur niet verlengen als de schaduw, omdat hij voor God niet vreest.” De mensen dienden bevreesder te zijn bij de gedachte dat God hun kwaad zou zien dan mensen.
In Jezus’ dagen legden de huichelachtige schriftgeleerden en Farizeeën zich er voornamelijk op toe in de ogen der mensen goed te schijnen, maar zij bekommerden zich niet over hun inwendige viezigheid, welke God zag. Jezus zei tot hen: „Gij reinigt de buitenkant van de beker en van de schotel, maar van binnen zijn ze vol roof en onmatigheid.” De gedachtengang van de boosdoeners in Ezechiëls dagen was: „De HERE [Jehovah] ziet ons niet, de HERE [Jehovah] heeft het land verlaten.” Honderdvijftig jaar daarvoor, in de tijd van Jesaja, waren zij net eender: „Wee hun die een plan diep voor den HERE [Jehovah] verbergen, wier werk in de duisternis geschiedt en die zeggen: Wie ziet ons en wie kent ons?” — Matth. 23:25, NW; Ezech. 8:12; Jes. 29:15, NBG.
Jehovah ziet het goede en kwade dat wij doen, en beloont ons ter zijner tijd daarvoor. Huichelaars laten, terwijl zij hun boze werken voor de mensen verbergen, elke door hen verrichte goede daad openlijk uitbazuinen, opdat de mensen het maar zullen opmerken en „zij door mensen verheerlijkt mogen worden.” „Zij ontvangen hun beloning reeds ten volle,” zei Jezus. Hij raadde zijn volgelingen aan in alle stilte en zonder fanfare hun liefdegaven te brengen en hun religieuze diensten te verrichten, en „dan zal uw Vader, die in het verborgen toeziet, het u vergelden.” Mensen die hun medemensen vrezen, verbergen hun boosheden voor hen, maar maken veel vertoon van het goede dat zij doen, opdat het maar opgemerkt zal worden en men hen zal bejubelen. — Matth. 6:2-4, 16-18, NW.
„Vrees voor mensen spant een strik,” maar „de vreze des HEREN [voor Jehovah] is het begin der kennis.” Zelfs ware christenen betrappen er zich soms in hun vleselijke zwakte op dat zij iets verkeerds doen omdat mensen het niet zien en zij er door hen dus niet voor berispt of bestraft zullen worden. Wanneer wij niet onmiddellijk gestraft worden voor wat wij doen komen wij soms heel sterk in de verleiding ze te doen, terwijl wij niet in de verre toekomst kijken, wanneer wij er voor Jehovah verantwoording voor moeten afleggen. Wij moeten God, niet mensen, vrezen, want dat zal het begin van kennis betekenen, welke ons goed zal leiden en het leven zal geven. — Spr. 29:25; 1:7, NBG.