Vragen van lezers
● In 1 Samuël 28:6 (NW) staat: „Hoewel Saul Jehovah vroeg, antwoordde Jehovah hem nooit, noch door dromen noch door de Urim noch door de profeten.” In 1 Kronieken 10:14 (NW) staat echter: „En hij vroeg Jehovah niet.” Hoe kunnen wij deze twee teksten met elkaar in overeenstemming brengen? — N.M., Hawaii.
Blijkbaar vroeg Saul Jehovah, maar niet op de juiste wijze of met de juiste motieven. Hij had in deze geen zuiver hart en Jehovah kon dit zien, waarom hij hem geen antwoord gaf. Saul wendde zich toen tot de heks of het spiritistische medium van En-dor. Hij vroeg haar inlichtingen, hetgeen God had veroordeeld. Saul probeerde God op verschillende manieren te vragen, maar hij deed het niet op een oprechte, reine manier en daarom verhoorde of antwoordde God Saul niet.
Thans kan iemand ook tot God bidden, maar wanneer men goddeloos is of met verkeerde bedoelingen bidt, verhoort God het gebed niet. „Gij vraagt, en toch ontvangt gij niet, omdat gij het met een verkeerde bedoeling vraagt, dat gij het moogt verkwisten voor uw sterke begeerten ter behaging van uw zinnen.” „Die zijn oor afwendt van de wet te horen, diens gebed zelfs zal een gruwel zijn.” „De HERE is ver van de goddelozen; maar het gebed der rechtvaardigen zal Hij verhoren.” — Jak. 4:3, NW; Spr. 28:9; 15:29.
In een bepaald opzicht zou men kunnen zeggen dat iemand bidt, doordat hij dit qua vorm doet. Anderszins kan er echter worden gezegd dat hij niet bidt, omdat hij het niet op de voor God aangename wijze doet en dientengevolge nimmer door God wordt verhoord. Zo zou de betekenis van 1 Samuël 28:6 kunnen zijn dat Saul God vroeg omdat hij dit qua vorm deed, en terecht zou er in 1 Kronieken 10:14 worden gezegd dat Saul God niet vroeg, omdat hij dit niet op de juiste, aanvaardbare wijze deed.
● In Mattheüs 20:29 en Markus 10:46 is er sprake van dat Jezus de blinde bedelaar Bartimeüs genas toen Jezus Jericho verliet, maar in Lukas 18:35 staat dat dit geschiedde toen Jezus Jericho binnenging. Hoe kan deze tegenstrijdigheid worden verklaard? — B.F., Canada.
Het boek Archaeology and Bible History van Joseph P. Free doet op bladzijde 295 de volgende interessante oplossing aan de hand: „Even voordat de Heer Zacheüs in Jericho ontmoette, genas hij de blinde in dezelfde omgeving. In Mattheüs staat dat Jezus deze genezing bewerkstelligde toen hij Jericho verliet, terwijl Lukas te kennen geeft dat dit geschiedde toen hij naar Jericho toeging. Enkelen hebben verondersteld dat er hier sprake is van twee verschillende gebeurtenissen, hetgeen mogelijk is. De archeologie heeft echter nog meer licht op deze schijnbare tegenstrijdigheid geworpen. In het begin van de twintigste eeuw n. Chr. (1907-1909) deed Ernest Sellin van de Deutsche Orient-Gesellschaft opgravingen te Jericho. Uit deze opgravingen bleek dat het Jericho uit Jezus’ tijd een dubbelstad was. De oude joodse stad was ongeveer anderhalve kilometer van de Romeinse stad verwijderd. In het licht hiervan is het mogelijk dat Mattheüs over de joodse stad spreekt welke Christus had verlaten, terwijl Lukas spreekt van de Romeinse stad, waar Christus nog niet was aangekomen. Christus ontmoette en genas de blinde Bartimeüs dus op weg van de oude naar de nieuwe stad. Wanneer deze drie passages in Mattheüs, Markus en Lukas daarom naar dezelfde gebeurtenis verwijzen, is er geen enkele tegenstrijdigheid; en wanneer ze naar verschillende genezingen verwijzen, zou er natuurlijk in het geheel geen tegenstrijdigheid zijn te bespeuren.” — Zie ook de voetnoot bij Mattheüs 20:29-34 in de vertaling van Dr. Keulers.
Hieruit blijkt nog eens te meer hoe dwaas het van sommige mensen is te betogen dat de bijbel zich zelf tegenspreekt. Wanneer men een volledige feitenkennis bezit van de tijden waarin de gebeurtenissen geschiedden, wordt datgene wat eeuwen later zonder de juiste kennis van de achtergrond in tegenspraak met elkaar lijkt te zijn, opgehelderd. Tevens wordt door deze blijkbaar tegengestelde berichten bewezen dat de verschillende schrijvers van de bijbel of de afschrijvers der manuscripten niet met elkaar in een geheime verstandhouding stonden. In dat geval zouden zulke ogenschijnlijke tegenstrijdigheden stellig nooit zijn voorgekomen. Zulke schijnbaar tegenstrijdige berichten bewijzen dat de schrijvers van de bijbel niet de berichten van elkaar hebben overgenomen, en wanneer het volle licht op de gebeurtenissen valt, verdwijnt zelfs de schijnbare tegenstrijdigheid.
● Zou God het Adam en Eva in de toekomst ooit hebben toegestaan van de boom der kennis van goed en kwaad te eten? — D.A., Verenigde Staten.
Nadat het boek „New Heavens and a New Earth” op de bladzijden 72 en 73 Genesis 2:15-17 heeft geciteerd, staat daar te lezen: „Volgens dit gebod zou de mens niet sterven wanneer hij niet van de boom der kennis zou eten, maar hij zou wel sterven wanneer hij er van zou eten terwijl het verboden was.” Hierdoor wordt te kennen gegeven dat er een tijd zou komen wanneer het eten van deze vrucht niet verboden zou zijn. Door deze boom werd zinnebeeldig de macht of bekwaamheid om te bepalen en vast te stellen wat goed en kwaad is, voorgesteld. Wellicht had Jehovah Adam en Eva nadat zij er een tijdlang het bewijs van geleverd zouden hebben dat zij aan hem gehoorzaam zouden zijn en in overeenstemming zouden handelen met wat God bepaalde wat goed en kwaad was, nadat zij de goddelijke beginselen omtrent een goed en tegen een verkeerd gedrag in zich hadden opgenomen, toestemming verleend van de vrucht van de boom der kennis van goed en kwaad te eten. Hierdoor zou aangetoond worden dat de opleiding welke zij van God hadden ontvangen, hen zover had toegerust dat zij in zulke aangelegenheden voortaan een beslissing zouden nemen welke in overeenstemming was met Gods oordeel, en dat zij dientengevolge een goede keus konden maken tussen goed en kwaad.
Adam en Eva wachtten echter hun tijd niet af, zij ondergingen niet de noodzakelijke opleidingsperiode van goddelijk onderricht, en zij doorstonden de beproeving niet doordat zij op Jehovah vooruitliepen en van de toen nog verboden vrucht aten. Zij kwamen dus nimmer zover dat zij op juiste wijze en met zekerheid konden bepalen wat goed en kwaad was. Evenmin zijn hun nakomelingen die zonde en onvolmaaktheid van hen hebben geërfd, ooit zover gekomen. Nergens uit de Schrift blijkt dat de „boom der kennis van goed en kwaad” bij de leerstelling van het aardse paradijs onder Gods koninkrijk onder Christus, daar weer geplant zal worden om de mensheid op de proef te stellen. Op bladzijde 352 van het bovengenoemde boek staat hieromtrent: „De beproeving op aarde zal niet geschieden door de een of andere opnieuw geplante ’boom der kennis van goed en kwaad.’ Tegen het einde van het duizendjarige rijk zal de tot volmaaktheid gebrachte mensheid goed en kwaad uit werkelijke ondervinding hebben doorgemaakt. De beproeving zal geschieden door bemiddeling van dezelfde persoon die de mensheid aan het begin van hun geschiedenis op een dwaalspoor heeft gebracht, Satan de Duivel, tezamen met zijn demonen.”
● Er staat in Jesaja 11:10 (NBG) over Christus Jezus geschreven: „En zijn rustplaats zal heerlijk zijn.” Wordt met deze rustplaats de sabbatrust gedurende de duizendjarige regering van Christus bedoeld? — J.H., Verenigde Staten.
Er wordt hier niet gezinspeeld op de sabbatrust maar op Christus Jezus’ hemelse verblijfplaats. Tijdens zijn evangeliebediening op aarde had Jezus geen blijvend tehuis, want hij zeide: „Vossen hebben holen en vogelen des hemels rustplaatsen, maar de Zoon des mensen heeft nergens een plaats waar hij zijn hoofd kan neerleggen” (Matth. 8:20, NW). In tegenstelling daarmede heeft Jezus een heerlijke plaats van rust in de hemel. In Ruth 3:1 (NW) wordt het woord rustplaats op soortgelijke wijze als aanduiding van een tehuis gebezigd: „Naomi, haar schoonmoeder, zeide nu tot haar: ’Mijn dochter, dien ik niet naar een rustplaats voor u uit te zien, opdat het u welga?’” Naomi bedoelde hiermede dat ze stappen deed een permanent tehuis voor Ruth te verkrijgen. In Jesaja 11:10 wordt met de heerlijke rustplaats van Christus zijn hemelse tehuis bedoeld.
● Is de New World Translation of the Christian Greek Scriptures niet wat breedsprakig, omdat er bijvoorbeeld in 1 Johannes 5:16 „in het oog krijgt” wordt gebruikt in plaats van „ziet,” en „onverdiende goedgunstigheid” in plaats van „genade”? — J.S., Verenigde Staten.
U maakt niet bekend of u het koinè-Grieks der bijbel heeft bestudeerd of niet, maar in het laatste geval zou de wijze waarop het vertaalcomité der New World Translation sommige Griekse werkwoorden en uitdrukkingen in het Engels vertolkt, u vanwege uw onbekendheid er mede te omslachtig of te breedsprakig kunnen lijken. Iemand die echter met het Grieks op de hoogte is, is die gedachte niet toegedaan. Het Griekse werkwoord dat in de New World Translation met „in het oog krijgt” is vertaald, staat in het Grieks in een bijzondere tijd, de aoristus, en deze verwijst niet naar een herhaling van daden of naar een voortdurende handeling, maar slechts naar één zo’n handeling. Doordat er in de Statenvertaling de tegenwoordige tijd van het werkwoord „zien,” namelijk „ziet” wordt gebruikt, wordt de specifieke betekenis van het werkwoord in de aoristusvorm niet tot uitdrukking gebracht, in dit geval hier het in het oog krijgen van iemand, zoals u zoudt kunnen zeggen, het op heterdaad of tijdens de handeling betrappen.
Zo is het ook gesteld met de uitdrukking „onverdiende goedgunstigheid.” Gewoon omdat de mensen de betekenis van dit schriftuurlijke Griekse woord in de verschillende manieren waarop het gebezigd wordt, niet, begrijpen, heeft het vertaalcomité der New World Translation de betekenis overduidelijk weergegeven door bovenstaande uitdrukking. In het Nederlands heeft het woord „genade” acht of meer verschillende betekenissen. Welke betekenis wordt er bijvoorbeeld in Johannes 1:14 bedoeld, waar staat „vol van genade en waarheid”? Betekent het „vergevensgezindheid”? Of „gunstbewijs”? Of „gunst vinden bij, welgevallig zijn, niet versmaad worden”? Of wat dan wel? De New World Translation laat hierover geen twijfel bestaan door de betekenis goed weer te geven als „onverdiende goedgunstigheid,” hetwelk overeenstemt met de omliggende verzen, zoals bijvoorbeeld het daaropvolgende vers 17.
Wij waarderen het dus dat de New World Translation aandacht schenkt aan de details en oprecht poogt de juiste betekenisnuance van het originele koinè-Grieks te doen uitkomen, in plaats van een afgezaagde vertaling waaraan vaak een dubbelzinnige betekenis valt te hechten.