„Het opzichtig geuren met iemands bezittingen”
● In het algemeen doen de mensen van alles om vooral toch niet achter te raken bij hun medemensen. Benjamin Franklin, die dit opmerkte, zeide eens: „Wat voor nut heeft het zo trots te zijn op het uiterlijke, waarvoor één zoveel op het spel heeft gezet en zoveel narigheid heeft geleden? Men wordt er niet gezonder door of ontvangt geen verlichting van pijn; in plaats dat men er verdienstelijker door wordt, wordt men veeleer afgunstig en ongelukkig.” Dat is zo. Wie zich laat verstrikken door de gedachte dat hij vooral niet achter moet raken bij zijn naasten, wordt even zeker door ongeluk en rampen verslonden als deze door demonen geleide wereld in Armageddon zal verdwijnen: ’Alles in de wereld — de begeerte van het vlees en de begeerte der ogen en het opzichtig geuren met iemands bezittingen — spruit niet voort uit de Vader, maar spruit voort uit de wereld. De wereld gaat bovendien voorbij en ook haar begeerte, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid.’ — 1 Joh. 2:16, 17, New World Trans.