De waarheid op een vuilnisbelt gevonden
IN juni 1954 ontving het Wachttorengenootschap het volgende bericht van twee zendelingen die in Trois-Rivières, Quebec, waren gestationeerd:
„Op aanraden van het Genootschap brachten wij een bezoek aan Dhr. en Mevr. B———. Zij heetten ons van harte welkom, nodigden ons binnen, terwijl hij ons met een glimlach begroette en zeide: ’U komt net op tijd,’ want van hun grammofoon weerklonken nog juist de laatste tonen van een symfonie. Daar wij dachten dat er misschien een vergissing in het spel was, zeiden wij: ’U weet wellicht wel dat wij getuigen van Jehovah zijn.’ ’O ja, dat weet ik,’ antwoordde hij, alhoewel hij ons nimmer voordien had gezien. ’Ik verwachtte u en toen ik uw aktentassen zag, was ik er zeker van dat u getuigen van Jehovah was.’
Hij zeide ons dat hij het Boek van Mormon had gelezen en dat hij het wilde teruggeven aangezien het hem niet interesseerde. Ook had hij het boek van de Adventisten, The Great Controversy, gelezen, en alhoewel het in enkele opzichten indruk op hem had gemaakt, waren er toch vele punten waar hij het niet mee eens was. Daarna was hij begonnen de boeken van het Wachttorengenootschap te lezen en is ze sindsdien blijven lezen. Wat in deze boeken wel in het bijzonder indruk op hem had gemaakt, was dat ze telkens weer voor ieder punt als bewijs schriftuurplaatsen uit de Bijbel aanhaalden.
Voor iemand die voordien nimmer met een van Jehovah’s getuigen had gesproken, scheen hij wonderbaarlijk goed op de hoogte te zijn, en toen hem werd gevraagd hoe dit kwam, vertelde hij het volgende: Ongeveer drie jaar geleden woonde hij in een huurkazerne in Montreal en toen had iemand tegelijk met het afval het boek Vijanden weggegooid. Aangezien hij toentertijd boeken verzamelde voor zijn bibliotheek (hij is lid van een aantal ’Boek van de maand’-clubs), haalde hij het boek er uit en zette het in zijn bibliotheek alhoewel hij het toen niet las. Daarna kwam zijn zuster in het bezit van nog twee publicaties van het Wachttorengenootschap, welke hij eveneens zonder ze te lezen aan zijn bibliotheek toevoegde. Maar in de lente van het jaar 1954 maakte hij er een aanvang mede het eerste boek te lezen dat hij had verkregen, het boek Vijanden. Het trok hem zo zeer, dat hij het nogmaals doorlas en vervolgens de twee andere boeken welke hij bezat, ’God zij waarachtig’ en ’De waarheid zal u vrijmaken,’ begon te lezen.
Toen bestelde hij verscheidene Bijbelvertalingen en andere Bijbel-studiehulpmiddelen bij het Genootschap en hij abonneerde zich op De Wachttoren. Bij elke gelegenheid las hij de boeken en hij heeft zoveel gesproken over hetgeen hij leest, dat iedereen op zijn werk hem een getuige van Jehovah noemt. ’Natuurlijk ben ik dat niet,’ zeide hij, ’want dat te zijn beschouw ik als een grote eer. Weet u,’ zo ging hij verder, ’dit begint een belemmering te vormen voor mijn werk, want ik heb in het geheel geen belangstelling meer in mijn werk. Wanneer ik enige vrije tijd heb, dan lees ik, in plaats van meer van mijn vak te weten te komen, maar een van deze boeken over de Bijbel. Ik ben zo blij dat u bent gekomen, zodat ik nu in contact kan komen met een Bijbelstudieklas.’
Hierna stelde hij ons vragen over de activiteit van deur tot deur. ’Wanneer ik van deur tot deur zou moeten gaan, zou ik niet weten wat ik zou moeten zeggen. Bestaat er niet de een of andere opleiding om te weten te komen hoe dit werk verricht moet worden?’ Wij legden hem uit hoe alles toeging op de school der theocratische bediening en op de dienstvergaderingen, waar Jehovah’s getuigen een opleiding voor de bediening van het evangelie ontvangen, en het deed hem genoegen dit te horen. Hij ging door met enige scherpzinnige vragen te stellen en scheen tevreden met de antwoorden welke wij hem gaven. Ook bracht hij het onderwerp van het roken van tabak ter sprake en hij zeide dat hij hoewel hij twee maanden geleden met roken was opgehouden, er weer mede was begonnen aangezien hij geen reden zag om er mede op te houden. Nadat hem de Schriftuurlijke en medische argumenten tegen het roken waren verteld, zeide hij: ’Wilt u wel geloven dat ik al lang zo iets heb gedacht. Bovendien heb ik wel eens gedacht dat er heel wat geld wordt verknoeid dat aan andere doeleinden besteed had kunnen worden, zoals bijvoorbeeld voor het kopen van meer van deze boeken.’ Wij richtten een Bijbelstudie bij hem en zijn vrouw op en zij hebben beloofd naar onze gemeentevergaderingen te komen.”
Het voorgaande werd in juni 1954 geschreven. En hoe is het sindsdien gegaan? Sinds die tijd hebben zij zowel ijverig de waarheid bestudeerd als anderen, en speciaal hun familieleden, verteld over hetgeen zij hebben geleerd, als gevolg waarvan enkele familieleden thans eveneens met Jehovah’s getuigen de Bijbel bestuderen. Voordat het jaar om was, namen beiden deel aan de velddienst en bij de eerste gelegenheid welke zich voordeed, op een zonevergadering die in het begin van dit jaar werd gehouden, legden zij er beiden in het openbaar getuigenis van af dat zij zich aan Jehovah hebben opgedragen, doordat zij zich lieten dopen. De zendelingen vertellen dat het hun grote vreugde schenkt om hun vooruitgang en ijver in het veld en op de gemeentevergaderingen gade te slaan.