Geeft de zakenwereld de kerken een les in zedelijk gedrag?
IN OUDE bijbelse tijden werden de mensen door de levitische priesters onderwezen over dat wat juist en verkeerd was. ’De lippen van den priester bewaren kennis en uit zijn mond zoekt men onderricht in de wet, want een bode van Jehovah is hij.’ Er waren echter voorvallen dat de priesters zo laag waren gezonken dat zij het zedelijkheidsgevoel van de mensen die zij, naar werd verondersteld, behoorden te onderwijzen over dat wat juist en verkeerd was, geweld aandeden, en een voorbeeld hiervan waren de misdadige zonen van de priester Eli. — Mal. 2:7, NBG; 1 Sam. 2:12-17, 22-25.
Heden ten dage geven de feiten te kennen dat de leiders der religie in de christenheid de moderne tegenhanger zijn van die weerspannige zonen van Eli. Ook zij nemen de positie in van leraars van de mensen en toch verlagen zij zich maar al te gewillig tot dermate verdachte methoden, dat anderen zich er toe gedrongen voelen de religieuze leiders de moraal te preken. Een voorbeeld hiervan werd aangetroffen in het nummer van 11 april 1955 van de Advertising Age.
Het redactionele artikel zeide gedeeltelijk: „Wij blijven ons er over verbazen dat zij wier gedrag in alle opzichten boven verdenking dient te staan, zo bereidwillig gebruik maken van methoden ter verkrijging van geld, welke erg veel weg hebben van een kermisuitnodiging. De meeste commerciële adverteerders zouden het niet wagen hieraan te beginnen, omdat zij weten dat zij er behoorlijk kritiek op zouden ontvangen. Maar religieuze en liefdadige groepen schijnen te geloven dat ze gerust methoden kunnen gebruiken waarvan de ethische deugd te betwijfelen valt, omdat ze ’voor een goede zaak’ worden aangewend. Dit komt ons als moreel sofisme van de hoogste graad voor, wanneer wij daarover kunnen spreken.”
Om het zacht uit te drukken, de grote zakenwereld heeft geen monopolie op zedelijke beginselen. Hoe verdorven de grote zakenwereld ook is, ze dient echter ten minste een doel, omdat industrie en handel noodzakelijk zijn, of daarbij nu eerlijk wordt te werk gegaan of niet. En eveneens moet er worden toegegeven dat een verdorven regering beter is dan in het geheel geen regering. Maar wanneer de georganiseerde religie, welke het zich aanmatigt God te vertegenwoordigen en de mensen over de zedelijke beginselen te onderwijzen, huichelachtig wordt, waartoe dient die religie dan?
Het voorgaande roept ons Gods oordeel over het Jeruzalem uit de oudheid in de herinnering. Wegens haar weerspannige handelwijze, het in gebreke blijven rechtvaardige vruchten voort te brengen, vergeleek Jehovah haar met een verschroeide wijnstok welke alleen goed was om verbrand te worden, omdat men het tot niets kon verwerken, zoals bijvoorbeeld een pin waaraan men iets zou kunnen ophangen. „Zoals Ik onder het geboomte van het woud het hout van den wijnstok tot voedsel aan het vuur gegeven heb, zó zal Ik de inwoners van Jeruzalem overgeven.” ’Het vuur zal hen verteren. En gij zult weten, dat Ik Jehovah ben, wanneer Ik mijn aangezicht tegen hen keer en het land tot een woestenij maak, omdat zij ontrouw geworden zijn, luidt het woord van den Here Jehovah.’ Dat vuur zal Armageddon zijn. — Ezech. 15:1-5, NBG; Openb. 16:14, 16.