Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w55 15/9 blz. 275-276
  • Priester leest Einstein de les

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Priester leest Einstein de les
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1955
  • Vergelijkbare artikelen
  • Einsteins bijzondere jaar
    Ontwaakt! 2005
  • ‘Aan vrede zal geen einde komen’
    Ontwaakt! 2019
  • Buiten het bereik van de wetenschap
    Ontwaakt! 1983
  • Hoe reëel is God voor u?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1981
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1955
w55 15/9 blz. 275-276

Priester leest Einstein de les

EEN nieuwsbericht van „Associated Press” zeide op 13 april te Atlantic City: „Een vooraanstaande katholieke onderwijzer drong er vandaag bij de geleerden, waaronder Albert Einstein, op aan, zich te bepalen tot hun neutronen en er mede op te houden te ’philosopheren.’ De Eerw. Robert Henle, deken van de school van afgestudeerden aan de universiteit te St. Louis, zeide dat de natie ’aardig wat geleerden kreeg’ die ’op 40-jarige leeftijd’ begonnen ’te philosopheren.’ Het merendeel van hen, zo zeide hij, zijn er ’niet voor opgeleid dit te doen.’ Henle zeide op een persconferentie ter gelegenheid van de jaarvergadering van het Amerikaanse Nationaal Katholiek Opvoedkundig Genootschap, dat Einstein de afgelopen jaren had gephilosopheerd over de ’natuur en het bestaan van God.’ ’Ik maak er bezwaar tegen dat hij een gezaghebbende verklaring aflegt over iets absoluuts,’ zeide Henle. ’Hij is er niet toe opgeleid te spreken over het al dan niet bestaan van God.’” — New York Post, van 13 april 1955.

Volgens het tijdschrift Life van 2 mei 1955 had wijlen Albert Einstein gezegd: „Ik geloof niet in de God van de theologie die het goede beloont en het kwade bestraft. . . . Ik kan geen enkele voorstelling over God aanvaarden die is gebaseerd op de vrees voor het leven, of de vrees voor de dood, of op blind geloof.” Naar al wat er over Einstein bekend was, had hij een zachtzinnige aard, en het is begrijpelijk dat hij niet kon geloven in de God van de theologie, een God die zielen voor altijd in een vurige hel foltert, of hen eeuwenlang laat branden in een vlammend vagevuur, totdat men de pastoors op aarde genoeg heeft betaald om genoeg te kunnen bidden, zodat deze zielen verlost kunnen worden.

Hetzelfde nummer van Life berichtte dat Einstein had gezegd: „De aanwezigheid van een superieure, een rede bezittende macht . . . die wordt onthuld in het niet te bevatten universum, maakt mijn idee van God uit.” Aangezien de God van de theologie niet aanvaardbaar was voor Einstein, zocht hij naar een andere God. Zoals het tijdschrift Time van 2 mei 1955 laat weten, geloofde hij wel dat er achter alle wonderen der schepping een souvereine geest of intelligentie stond, en maakte de orde in het universum een diepe indruk op hem. Het blad haalde de volgende woorden van hem aan: „Ik kan niet geloven dat God de kosmos op goed geluk tot stand liet komen.” Het tijdschrift vervolgde: „Albert Einstein, die vaak heeft gezegd dat hij de leer van de onsterfelijkheid der ziel niet kon aanvaarden, bewoog zich op de grens van het mysterie en soms, zo gaf hij toe, maakte dat dat hij zich dicht bij God voelde. ’Ik beweer,’ zeide hij eens, ’dat de kosmische religieuze ervaring de sterkste en nobelste drijfkracht is . . . Mijn religie bestaat in een ootmoedige bewondering voor de onbegrensde souvereine geest die Zich onthult in de minieme details die wij met onze fragiele en zwakke geest kunnen waarnemen.’” De Bijbel stemt met Einstein, die „de leer van de onsterfelijkheid der ziel niet kon aanvaarden,” overeen, want hij vermeldt, „de ziel, die zondigt, die zal sterven,” en bericht ook dat zelfs de zondeloze Jezus „Zijn ziel uitgestort heeft in den dood.” — Ezech. 18:4; Jes. 53:12.

Einstein zeide dat hij geen voorstelling van God kon aanvaarden die was gebaseerd op „blind geloof.” Een bijbels geloof in Jehovah God is niet blind, in die zin dat er volstrekt geen basis voor aanwezig is. Geloof is „de duidelijke demonstratie van werkelijkheden hoewel ze niet worden gezien” (Hebr. 11:1, NW). Zonder electriciteit of zwaartekracht gezien te hebben, geloofde Einstein in hun bestaan omdat hij bewijzen had gezien die de werkelijkheid er van demonstreerden. Zonder dat Einstein „de onbegrensde souvereine geest” had gezien, geloofde hij in zijn bestaan vanwege de majesteit, macht en ordelijkheid welke hij in het universum had bespeurd. De Bijbel duidt op deze geschapen wonderen als bewijzen van het bestaan van de onzichtbare Schepper: „Zijn onzichtbare hoedanigheden worden van de schepping der wereld af duidelijk gezien, omdat ze uit het geschapene worden begrepen, zelfs zijn eeuwige kracht en Godheid” (Rom. 1:20, NW). Uit Romeinen 10:17 (NW) blijkt dat kennis en begrip van de berichten in de Bijbel noodzakelijk zijn, wil men geloof verkrijgen in de God waarover de Bijbel spreekt: „Het geloof volgt dus op het bericht.” Maar geloof in de God van de orthodoxe theologie is een blind geloof omdat het niet is gebaseerd op Bijbelse waarheden, maar veeleer op de heidense voorstellingen van priesters uit de oudheid of op de eigenzinnige philosophieën van moderne bedienaren van het evangelie. Geen enkel weldenkend mens zou zulk een opvatting over God, die is gebaseerd op blind geloof, kunnen aanvaarden. Zij dienen evenwel niet toe te laten dat de valse opvatting over God, die de orthodoxe religiën onderrichten, hen van de God van de Bijbel afkeert. Zij dienen de Bijbel te bestuderen ten einde kennis op te doen over de God die het universum heeft geschapen, terwijl ze niet ten gevolge van religieuze leugens bevooroordeeld tegen hem moeten zijn.

Zouden de orthodoxe religiën zich tot de Bijbel hebben bepaald, dan zou Einstein zich misschien tot zijn neutronen hebben bepaald. Hadden deze religiën de God van de Bijbel onderwezen en niet een weerzinwekkende heidense godheid die verondersteld wordt denkbeeldige zielen in niet-bestaande vagevuren en hellen van vuur en zwavel te folteren, dan zou Einstein misschien niet de behoefte hebben gevoeld uit te zien naar een andere opvatting over God. Het zou misschien beter zijn dat Henle de dakspar uit zijn eigen oog haalt, voordat hij zich begint te ergeren over het strootje in Einsteins oog. Het zou beter zijn dat hij zich bepaalde tot de God van de Bijbel, welke God hij beweert te dienen, en het zou beter zijn dat hij de heidense leerstellingen en menselijke overleveringen liet varen, de vleiende titels van Eerwaarde en Vader die de Bijbel tot Jehovah God beperkt, ter zijde zou stellen, en de geld opleverende methoden van gebeden voor het vagevuur en het toestaan van bingo-gokspelen vaarwel zeide (Job 32:21, 22; Matth. 7:1-5; 21:13; 23:9). Henle beschuldigde Einstein er van dat hij zich niet tot zijn terrein van wetenschap bepaalde, maar hij wordt er zelf schuldig aan bevonden af te wijken van zijn werk, dat naar zijn zeggen bestaat in het dienen van God. Snedig zegt Romeinen 2:1 (NW): „Daarom zijt gij, o mens, wie gij ook zijt, niet te verontschuldigen, wanneer gij oordeelt; want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij u zelf; aangezien gij die oordeelt, dezelfde dingen bedrijft.”

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen