De komst van Christus een zuiver theoretische aangelegenheid?
VOLGENS de Jezuïet Joseph Christie, een der bekendste katholieke predikers van Londen, „is de aangelegenheid van de wederkomst van onze Heer, belangwekkend, doch zuiver theoretisch. Hij is nooit weg geweest. In iedere katholieke kerk kunt u hem vinden en zijn authentieke stem klinkt door de eeuwen heen bij monde van Zijn onderwijzende kerk.” Maar dachten Jezus’ apostelen en vroege discipelen, zij die hem persoonlijk hebben gekend, er ook zo over? Hadden zij het gevoel dat de aangelegenheid van zijn wederkomst slechts zuiver theoretisch was, dat wil zeggen, zonder enige werkelijk praktische waarde of toepassing? Zeker, de kerk waarvan zij een deel moesten zijn, bestond toen Jezus aanwezig was en hij onderwees door bemiddeling van hen, maar betekende dit dat de aangelegenheid van Christus’ wederkomst louter zuiver theoretisch voor hen was?
Ware de aangelegenheid van Christus’ wederkomst zuiver theoretisch, waarom zouden de apostelen dan zulk een belangstelling voor zijn wederkomst aan de dag leggen? Waarom zouden zij die wederkomst in verband brengen met de voleinding van dit samenstel van dingen? En waarom zou Jezus zich de moeite hebben gegeven hun het uitvoerige antwoord te geven wat staat opgetekend in Mattheüs 24, 25, Markus 13 en Lukas 21, als hij het onderwerp net zo vlot afgedaan zou kunnen hebben als de Jezuïet Joseph Christie?
Hij die de aangelegenheid van Christus’ wederkomst louter als een zuiver theoretische aangelegenheid beschouwt, ziet geheel over het hoofd dat Christus Jezus wederkomt ten einde een oordeelswerk te verrichten, zijn volgelingen te belonen, de goddelozen te bestraffen, en bovenal, ten einde zijn koninkrijk op te richten. Die gebeurtenissen zijn niet slechts van zuiver theoretisch belang. En dat ze in verband staan met Christus’ wederkomst of tweede tegenwoordigheid, wordt overduidelijk door de Schrift aangetoond. Zo legt Paulus verband tussen Christus’ manifestatie ten tijde van zijn tweede tegenwoordigheid in zijn Koninkrijk, en de profeet Daniël deed dit eveneens. — 2 Tim. 4:1; Dan. 7:13, 14.
Jezus bracht zijn wederkomst in verband met de beloning van zijn volgelingen. Hij zeide: „Ook zal ik, wanneer ik heen ga en een plaats voor u bereid, wederkomen en zal u thuis bij mij ontvangen, opdat gij ook moogt zijn waar ik ben.” En wederom: „Zie! ik kom vlug, en het loon dat ik geef, is bij mij, om een ieder te geven naargelang zijn werk.” Paulus vatte het ook zo op, want hij schreef: „Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loopbaan tot het einde gelopen ik heb overeenkomstig het geloof geleefd. Van deze tijd af is de kroon der rechtvaardigheid voor mij bewaard, die de Heer, de rechtvaardige rechter, mij in die dag als beloning zal geven, doch niet alleen aan mij, maar ook aan allen die zijn manifestatie hebben liefgehad.” — Joh. 14:3; Openb. 22:12; 2 Tim. 4:7, 8, NW.
En Christus’ tweede tegenwoordigheid is ook een tijd waarin de schapen van de bokken worden gescheiden. „Wanneer de Zoon des mensen in zijn heerlijkheid komt en alle engelen met hem, dan zal hij op zijn glorierijke troon gaan zitten. En alle natiën zullen voor hem worden vergaderd, en hij zal de mensen van elkander scheiden, evenals een herder de schapen van de bokken scheidt.” Jezus’ illustraties van de ponden of mine’s en der talenten brengen hetzelfde punt krachtig onder de aandacht, namelijk, dat wanneer Christus weerkomt, er een oordeelswerk zal wezen. — Matth. 25:31, 32, 14-30; Luk. 19:11-27, NW.
Voorts toont de Schrift ook aan dat Christus de goddelozen bij zijn wederkomst zal vernietigen. Dientengevolge zeide Paulus, toen hij de Thessalonicenzen die veel vervolging hadden te verduren, troostte: „Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het rechtvaardig is van Gods zijde verdrukking terug te betalen aan hen die verdrukking voor u veroorzaken, maar, voor u die verdrukking lijdt, verademing tezamen met ons bij de openbaring van de Here Jezus uit de hemel met zijn machtige engelen in een vlammend vuur, wanneer hij verdiende bestraffing brengt over hen die God niet kennen en hen die het goede nieuws over onze Here Jezus niet gehoorzamen.” „Dan zal inderdaad de wetteloze worden geopenbaard, die door de Here Jezus zal worden vernietigd door de adem van zijn mond en zal worden te niet gedaan door de manifestatie van zijn tegenwoordigheid.” — 2 Thess. 1:6-8; 2:8, NW.
Met het oog op al wat de Schrift toont dat Christus bij zijn wederkomst zal volbrengen, de oprichting van zijn koninkrijk, de beloning van zijn volgelingen, de scheiding van de schapen en de bokken en de vernietiging van de goddelozen, is de aangelegenheid van zijn wederkomst stellig niet slechts een zuiver theoretische aangelegenheid. Zij die hieraan vasthouden, tonen, dat zij òf de Schrift niet geloven òf blind zijn voor zijn belangrijkheid — en in beide gevallen zijn zij blinde leidslieden die hun blinde volgelingen slechts naar de gracht der vernietiging kunnen leiden. — Matth. 15:14.