De culturele ineenstorting
NIMMER tevoren in de geschiedenis zijn er zoveel woorden gesproken of geschreven die het niet waard zijn gehoord of gelezen te worden. Hoe komt het dat de gehele wereld in een moeras van onbenullige en vulgaire gedachten is terechtgekomen? Leven wij niet in de eeuw der verlichting? Bevinden wij ons niet in de eeuw waarin de culturele maatstaven tot een nieuw hoogtepunt dienen te stijgen? Toch is er over de gehele wereld een ineenstorting van de culturele maatstaven waar te nemen. Sommigen zijn nog niet wakker geworden ten aanzien van dit feit. Dit komt doordat het aantal studenten aan de hoge scholen toeneemt, de belangstelling voor scheppende kunsten groter wordt, de circulatie van boeken en tijdschriften een grotere omvang aanneemt en de kunstgalerijen steeds meer worden bezocht. Cultuur, hetgeen te maken heeft met fijnheid van smaak en gedachte, wordt echter niet gemeten naar de kwantiteit maar naar de kwaliteit. Hoe is daarom de kwaliteit van datgene wat op het gebied van de literatuur, amusement, kunst en muziek populair is?
Wanneer wij bijvoorbeeld de muziek nemen, bemerken wij dat veel van datgene wat „populair” wordt genoemd, minder goed is; ja, veel er van is nog minder dan middelmatig. Ware cultuur luistert niet alleen naar muziek maar brengt ook muziek voort. Tegenwoordig zijn er echter weinig mensen die muziek maken of schrijven, terwijl de overweldigende meerderheid der mensen rustig naar muziek luistert. Douglas Gilbert schreef in zijn boek Lost Chords het volgende: „Amerika is geen melodische natie meer. Wij zingen niet meer. Wij worden toegezongen.”
De gehele betekenis van het woord cultuur is ontaard. Zelfs de zinsnede „cultuurmens” klinkt ouderwets. En zelfs het woord „discriminatie” schijnt niet meer de betekenis te hebben van het goede van het kwade onderscheiden, en is beperkt tot onverdraagzaamheid jegens de rassen. De cultuur zelf is ontaard doordat ze plannen voor zelfvermaak najaagt. De meeste mensen besteden meer tijd en geld aan vermaak dan aan de verbetering van zichzelf. Dit is natuurlijk, daar men aanneemt dat cultuur gemakkelijk gekocht kan worden in de televisiewinkel of bij het plaatskaartenbureau. Toch wordt door datgene wat in de bioscoop en op het TV-scherm te zien is, in de toeschouwers een oppervlakkige en imitatiesmaak ontwikkeld.
Wat zullen wij zeggen over de moderne kunst? Slechts het volgende: door de moderne kunst wordt meer de nadruk gelegd op ingewikkeldheid dan op schoonheid. Insgelijks heeft de moderne literatuur meer de nadruk gelegd op het abnormale dan op datgene wat mooi is. Te oordelen naar de populaire romans en tijdschriften leven millioenen mensen in de beschaafdste natiën der wereld in een droomwereld van romantiek of lugubere onwerkelijkheid. De grimmige betekenis ligt niet slechts in het feit dat de mensen er vurig naar verlangen de werkelijkheid te ontvluchten, maar in datgene waarnaar de mensen willen ontvluchten — kinderachtige sentimentaliteit of physieke teugelloosheid. Vóór de 2de Wereldoorlog lazen de Duitsers Tarzan; hij was hun lievelingsheld. Maar Tarzan is niets vergeleken met de helden van moderne romans, vooral met de helden van de boeken welke men aantreft op de boekenrekken van huidige kiosken.
Romans plachten het hart warm te maken. Nu is het echter zo, dat hoe ijzingwekkender het boek is, des te waarschijnlijker zal het succes hebben. Toen een zekere criticus, een boekbeoordeling gaf in de New York Times, zeide hij het volgende: „In het verleden werd de schrijver dikwijls belemmerd door te veel gevoelens van liefde en mededogen. . . . Onlangs is er een nieuwe en gezondere sinistere toon in de romans van Mr. Morris gekropen. . . . Zijn charmante inheemse typen, zijn gemiddelde echtgenoten en vrouwen, zijn enigszins monsterachtig geworden; zijn huiselijke kringen zijn gaan lijken op de legers van vrouwelijke dieren die bezaaid liggen met de karkassen van mannen. Wat eens het hart warm maakte, is nu ijzingwekkend, en door de verandering heeft Mr. Morris als romanschrijver nieuwe betekenis en een nieuwe gestalte verworven.” Waarom de nieuwe gestalte? Vanwege een „gezondere sinistere toon”! De gehele wereld is psychopatisch geworden; dus misschien is de „sinistere toon” voor velen werkelijk gezond en normaal. Wat een desillusie!
En hoe staat het met de nieuwsbladen? Ze bieden een zeer grote mogelijkheid de culturele maatstaven te verheffen. Het Amerikaanse geïllustreerde blad met kort nieuws waarin sexualiteit en misdaden worden gepubliceerd, wordt echter een van de meest verkochte nieuwsbladen van de natie. Indien gecultiveerde mensen bezwaren maken, hebben de uitgevers van dit nieuwsblad vlug hun antwoord klaar: zij drukken slechts datgene wat het publiek wil hebben. En derhalve kan een van de standaardvragen voor het vaststellen van de cultuur en intelligentie van een persoon (wat leest hij?) bijna worden beperkt tot de vraag, wat voor nieuwsblad koopt hij? De pers is zo ontaard geworden, dat een zekere schrijver zo ver ging dat hij zeide: „Wanneer men naar het beste middel zou zoeken waarmede men in een gehele natie de discipline van respect, het gevoel voor datgene wat verheven is, zou kunnen doen verdwijnen en doden, zou men niet beter kunnen doen dan de Amerikaanse nieuwsbladen te nemen.”
Maar de culturele ineenstorting strekt zich uit tot ver buiten de grenzen van Amerika. De krantenkiosken van Europa bevestigen dit. Onlangs schreef Dennis W. Brogan: „In Brittannië is dezelfde vooruitgang gemaakt als in de Verenigde Staten; naarmate de kunst van het lezen en schrijven is toegenomen, hebben smaak, fatsoen en het vermogen om na te denken, schijnbaar afgenomen.” Ja, de culturele ineenstorting heeft licht geworpen op de tegenwoordige oorlog tegen overpeinzing en eenzaamheid. Wanneer iemand alleen blijft ten einde zijn gedachten te laten gaan en te lezen, denkt men dat hij niet sociabel is. De komst van de bioscoop, TV en de draagbare radio heeft de mogelijkheid dat iemand aan zijn eigen gedachten ten prooi wordt gelaten, sterk verminderd.
Vrije kunsten, zoals onderwerpen die veeleer in het belang van de cultuur worden bestudeerd dan in het belang van het onmiddellijke gebruik er van in de praktijk (literatuur, talen, geschiedenis, enz.), zijn tegenwoordig in volle aftocht. Hiermede instemmend, zeide Harold W. Dodds, het hoofd van de Princeton Universiteit: „Amerika’s uitgebreide stelsel van het door de belasting ondersteunde middelbaar onderwijs voldoet niet aan haar plicht jegens de geest. . . . De grootste zwakheid van dit onderwijs is te wijten aan het feit dat het academische onderricht op een lager peil is geraakt.” De na-oorlogse expansie in de scholen van Amerika is hoofdzakelijk een expansie geweest in beroepen. Maar zijn de afgestudeerden van de tegenwoordige scholen niet bekwaam in hun beroep en zijn zij niet vlug van begrip? Ja, maar zoals een zekere onderwijzer het onder woorden bracht: „Degenen die door de oppervlakkige aantrekkelijkheid van deze gegradueerden heen kijken, bespeuren beperkingen op het gebied van geestelijke zelfdiscipline, menselijke waarden, scherp omlijnde ethische opvattingen, qualitatieve maatstaven en een diepe, nauwkeurige kennis.”
Lang geleden verklaarde een diepzinnige schrijver, die een goed inzicht had, hoe belangrijk het is dat mensen hun gedachten richten op al datgene wat rechtvaardig, eerbaar en liefelijk is, en op al datgene wat een goede reputatie heeft. Toch schijnen de vele communicatiemiddelen van tegenwoordig, die de volledige toestemming hebben van het volk, er op gericht te zijn de aandacht van het publiek te vestigen op al datgene wat onbeduidend, schandelijk, vulgair en ontuchtig is, en op al datgene wat een slechte reputatie heeft. Het is duidelijk dat de culturele ineenstorting thans een feit is. Ze moest komen. Want wij bevinden ons in de „laatste dagen” van een goddeloze wereld, die tot de vernietiging is gedoemd en waarvan Satan de Duivel de god is. Onze ogen zien derhalve nog een deel van het teken van het einde der oude wereld: ’Weet dit, dat er in de laatste dagen kritieke tijden zullen zijn, die moeilijk zijn door te komen. Want de mensen zullen zonder liefde voor goedheid zijn.’ — 2 Tim. 3:1-3, NW.