Vragen van lezers
● Gaat het Wachttorengenootschap op uitdagingen in die worden gedaan met het doel in het openbaar over de schriftuurlijkheid van verscheidene religieuze leerstellingen te debatteren? — J.P., Verenigde Staten.
Christus Jezus wordt aanbevolen als degene die „u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden”. De methoden die hij bij de prediking volgde, werden niet door debatten gekenmerkt. Wanneer hij in de loop der gebeurtenissen in tegenwoordigheid van de tegen hem gekant zijnde religieuze leiders van zijn tijd kwam te verkeren, discussieerde hij wel met hen, waarbij hij hun leugens weerlegde en de waarheid van Jehovah’s Woord verdedigde en predikte. Zulke vergaderingen werden echter niet van tevoren door hem georganiseerd en ook riep hij voor zulke besprekingen geen officiële vergadering bijeen. Wat het zich inlaten met de vals-religieuze leiders betreft, hierover onderrichtte hij zijn discipelen zelfs op de volgende wijze: „Laat hen gaan, blinden zijn zij, die blinden leiden. Indien een blinde een blinde leidt, zullen zij beiden in een put vallen.” Jezus stelde een voorbeeld aangaande het prediken tot groepen van mensen die op openbare plaatsen waren bijeengekomen, doch het voornaamste onderricht dat hij aan zijn discipelen gaf, had betrekking op de prediking bij de deuren van de mensen. Door hier als het voorbeeld van uit te gaan, concentreren Jehovah’s getuigen zich thans op deze methode van prediken, terwijl zij terzelfder tijd eveneens de andere methoden van Jezus en de apostelen toepassen. — 1 Petr. 2:21; Matth. 15:14; 10:5-15; Hand. 5:42; 20:20.
Gewoonlijk stellen zij die willen debatteren meer belang in het verkrijgen van aandacht en publiciteit dan in het brengen van de waarheid. Wanneer door de luisteraars wordt beweerd dat een partij het debat heeft gewonnen, is het nog niet gezegd dat die partij gelijk heeft. De mensen zijn niet altijd redelijk. Zij worden meegesleept door een bombastisch redenaarstalent en een schitterende welsprekendheid waardoor veeleer een beroep wordt gedaan op de gevoelens dan op het verstand. In een debat worden evenveel dwaalredenen als waarheidspunten te berde gebracht, en door op het gevoel en de persoonlijke vooroordelen te werken, kan het dikwijls voorkomen dat vele luisteraars zich ten slotte ten gunste van de dwaalleer uitspreken. In de gespannen sfeer van een debat worden rede en logica vaak uitgeschakeld, behalve door iemand die de geest van Jehovah bezit. Iemand met een wettelijk of rechterlijk geoefende geest kan een onderscheid tussen de emoties en de feiten maken en de aangelegenheid op de juiste waarde schatten, doch de toehoorders beschikken over het algemeen niet over zulk een onderscheidingsvermogen. Voor een onbevooroordeelde denkwijze is een kalmere sfeer nodig. Meestal denkt elke zijde het gewonnen te hebben, terwijl de weinige personen die er een neutrale of weifelende zienswijze op nahielden na het debat vaak nog meer in verwarring zijn gebracht.
Om vast te stellen of een lering schriftuurlijk is, moeten wij ons tot de bijbel wenden en kalm alle teksten die op het punt van bespreking betrekking hebben, tegen elkaar afwegen. De ideale plaats hiervoor is bij iemand thuis, terwijl de twee of meer betrokken personen met geopende bijbels aan tafel zitten en onpartijdig het bewijs beschouwen ten einde ’zich van alles te vergewissen en vast te houden aan dat juist is’ (1 Thess. 5:21, NW). Wanneer een persoon in twijfel verkeert over een bepaalde leerstelling, kan hij een evangeliebedienaar van een religie welke deze leerstelling onderwijst, bij zich thuis laten komen om dit onderwerp te bespreken. De volgende avond kan hij een prediker bij zich ontvangen van een groep welke beweert dat die leerstelling onjuist is. Of misschien wil hij zelfs een evangeliebedienaar van elke groep op dezelfde avond uitnodigen ten einde vragen te stellen en naar de bespreking te luisteren. Op deze wijze is het waarschijnlijker dat zowel de waarheid als de leugen rustig en zorgvuldig aandacht krijgt. Oprechte personen die eerlijk naar de waarheid zoeken, zullen het voordeel van deze methode inzien, terwijl zij die meer belangstelling voor opwindende disputen hebben en erop uit zijn publiciteit te verwerven, luid zullen roepen om het emotionele, oratorische debat.
Christenen debatteren niet met andersdenkenden in hun eigen gemeente omdat zij weten dat dit in vernederend gekibbel en getwist kan ontaarden: „Maar ik vermaan u, broeders, dat gij hen in het oog houdt, die, in afwijking van het onderwijs, dat gij hebt ontvangen, de onenigheden en de verleidingen veroorzaken, en mijdt hen.” Christenen krijgen de raad: „Maar wees afkerig van de dwaze en onverstandige strijdvragen; gij weet immers, dat zij twisten teweegbrengen; en een dienstknecht des Heren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te onderwijzen, geduldig, met zachtmoedigheid de dwarsdrijvers bestraffende. Het kon zijn, dat God hun gaf zich tot erkentenis der waarheid te keren, ontnuchterd, zich te wenden tot den wil van Hem, losgekomen uit den strik des duivels, die hen gevangen hield” (Rom. 16:17; 2 Tim. 2:23-26). Ongeacht de beloften die van tevoren zijn gedaan om geen heftige bespreking te hebben, kunnen degenen die niet de geest van Jehovah hebben tijdens het debat hun zelfbeheersing en zachtaardigheid verliezen, zodat zij het in een ongepast gekrakeel en getwist doen ontaarden waarbij men zich door gevoelens laat beheersen.
Vandaar dat het Wachttorengenootschap niet het debat gebruikt als een middel om het goede nieuws van het Koninkrijk te prediken. Het kan zijn dat een van zijn vertegenwoordigers, wanneer de uitnodiging hiertoe is gedaan, als gast een groep personen die tot verschillende geloofsrichtingen behoren, toespreekt en naderhand op vragen ingaat, maar dan moet er van tevoren zijn overeengekomen dat de bijeenkomst geen debat is en men de bespreking daarin niet zal laten ontaarden. Het glorierijke goede nieuws verdient het op een waardige wijze te worden gebracht, zonder een wanordelijk luid geschreeuw van de zijde der tegenstanders: „Want God is geen God van wanorde, maar van vrede.” — 1 Kor. 14:26-33.