Vragen van lezers
● Bij het vaststellen van de lengte van de zeven tijden der heidenen, wordt een tijd of jaar van 360 dagen gebruikt om 2520 dagen op te leveren, die 2520 jaren worden, wanneer Ezechiël 4:6 wordt toegepast. Wanneer wij echter van 607 v. Chr. tot 1914 n. Chr. rekenen, zijn de 2520 jaren zonnejaren van elk 365 1/4 dagen en geen maanjaren van elk 360 dagen. Is dit juist? — N.N., Nieuw Zeeland.
In de Bijbelse berichten wordt het zonnejaar van 365 1/4 dag niet in aanmerking genomen voor zover het gaat om het berekenen van natuurlijke en profetische tijd. De maan werd gebruikt om de maanden te bepalen en dan de groeitijd in de lente om het begin van het jaar met betrekking tot de maan vast te stellen, waardoor het nodig was elke 19 jaar 7 maal een tussengeschoven maand of de maand Ve-Adar, een dertiende maand, toe te voegen. Omdat dus de lengte van het joodse jaar niet was vastgesteld op 365 dagen plus een schrikkeljaar van 366 dagen, werd in de profetie voor het berekenen van haar tijdsperioden een tijdmaat gebruikt van 360 dagen voor een jaar of tijd, waarbij voor een maand 30 volle dagen werden berekend in plaats van de 29 1/2 dag welke een maantijd in werkelijkheid telt. Genesis 7:11, 24; 8:3, 4 tonen dat Noach een maand op ongeveer 30 dagen berekende. Een verdere bevestiging voor deze eenheid als een profetische tijdmaat wordt ons in Openbaring 11:2, 3 gegeven, waar 42 maanden overeenkomen met 1260 dagen, wat een jaar van 12 maanden gelijk maakt aan 360 dagen. Merk tevens op dat wanneer Openbaring 12:6, 14 3 1/2 jaar of tijd overeen laat komen met 1260 dagen, ze elke tijd, of elk symbolisch jaar met 360 dagen gelijkstelt, en niet met 365 1/4 dag door te zeggen dat de 3 1/2 tijd overeenkomen met 1278 en een breuk dagen. In 3 1/2 jaar of tijd zouden er minstens één en mogelijk twee tussengeschoven maanden zijn, zoals door De Wachttoren van 1 augustus 1948, op bladzijde 237 werd verklaard; toch nam Openbaring zulke tussengeschoven maanden niet in aanmerking bij het opgeven van de dagen van 3 1/2 tijd. Wij rekenen dus in overeenstemming met Gods Bijbelse wijze en hebben goede grond voor onze bewering dat de symbolische zeven tijden met 2520 jaren overeenkomen. En deze 2520 jaren moeten als zonnejaren worden gerekend, omdat de Joodse maanjaren van 360 dagen over een lange tijdsperiode gelijke tred hielden met de zonnejaren door middel van de tussengeschoven maanden die bij bepaalde tussenpozen werden toegevoegd, waardoor de noodzakelijke overeenstemming tussen het begin van het jaar en de jaargetijden altijd behouden bleef.
Dat deze manier van rekenen op een juiste wijze is toegepast om ons van 607 v. Chr. tot 1914 n. Chr. te brengen, wordt ons bevestigd door de zichtbare feiten die sinds dat jaar 1914, in vervulling van Mattheüs 24 en 25, Markus 13, Lukas 21 en andere profetieën betreffende Christus’ tweede tegenwoordigheid in de tijd van het einde, openbaar zijn geworden.
● Wanneer in Deuteronomium 22:5 wordt gezegd dat een vrouw niet de klederen van een man dient te dragen, betekent dit dan dat vrouwen geen lange broek dienen te dragen? — J.P., Pennsylvanië.
Deuteronomium 22:5 luidt: ’Het kleed eens mans zal niet zijn aan een vrouw, en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken; want al wie zulks doet, is Jehovah, uw God, een gruwel.’ Deze tekst werd stellig niet opgetekend met de gedachte vrouwen van tegenwoordig te verhinderen een lange broek te dragen. Toen deze schriftuurplaats werd opgetekend, droegen de mannen geen lange broeken, maar zij droegen dat wat wij tegenwoordig als jurken zouden beschouwen. In gedeelten van het Oosten droegen de mannen in werkelijkheid op jurken gelijkende klederen en de vrouwen droegen op pyama’s gelijkende broeken in verscheidene soorten. Het dragen van een lange broek of zelfs een werkbroek, zoals op een boerderij, wordt door deze tekst dus niet verboden en is een persoonlijke aangelegenheid. De vrouwen kunnen gezond oordeel gebruiken met betrekking tot de tijd en de plaats en wat als juist wordt aangenomen in de streek waar zij wonen. In sommige streken waar de winters streng zijn, dragen vele vrouwen broeken of skipakken of soortgelijke klederen waardoor hun benen worden bedekt en beschermd. Dit is volgens de Schrift niet verkeerd.
In Deuteronomium 22:5 heeft de Bijbel het niet over modes of over stijl, maar blijkbaar verbiedt deze tekst personen van het ene geslacht om de kleren van het andere geslacht te dragen met het doel te bedriegen, om het te doen voorkomen alsof men van het andere geslacht is, en ten einde de ware feiten te verbergen. Mannen dienen niet te trachten zich op bedrieglijke wijze gelijk vrouwen te kleden om het feit te verbergen dat zij mannen zijn, evenmin dienen vrouwen te trachten zich in kleren van mannen te kleden om het feit te verbergen dat zij vrouwen zijn. Om meer specifiek te zijn, het schijnt dat de Bijbel een treffende slag toedient aan de zonde van sodomie. Het was een oneer voor een vrouw om heur haar kortgeknipt te hebben gelijk dat van een man, en het was een oneer voor een man om zijn haar lang te laten groeien gelijk dat van een vrouw (1 Kor. 11:6, 14). De vrouw moest niet op een man gelijken door kort haar te hebben zoals een man of door kleren te dragen zoals een man. Hierdoor zou voor anderen het idee worden gewekt dat zij voor onnatuurlijke sexuele doeleinden gebruikt kon worden. Hetzelfde gold voor de man. Indien hij lang haar zou dragen gelijk een vrouw of zich in vrouwenkleren zou kleden, zou hij stellig op een vrouw lijken en blootgesteld zijn aan voorstellen van mannen om voor onnatuurlijke sexuele doeleinden te worden gebruikt. Het is dus met het oog op deze diepere betekenis van sodomie, en niet het louter verwisselen van kleren op zichzelf, dat er een verbod bestaat op deze praktijk, en zij die zich er mede ophouden, verdienen het volgende strenge oordeel: ’Al wie zulks doet is Jehovah, uw God, een gruwel.’