„Ouden en kinderen” loven Jehovah
VELE eeuwen geleden gebood de psalmist: ’Jongelingen en ook maagden, ouden en kinderen samen: dat zij den naam van Jehovah loven’ (Ps. 148:12, 13, Lu). Dat dit gebod in onze tijd wordt gehoorzaamd, en wel in alle delen der aarde, bleek duidelijk uit de verslagen die werden gegeven tijdens de door Jehovah’s getuigen belegde Vergadering der Nieuwe-Wereldmaatschappij, welke in juli 1953 in het Yankee Stadion te New York werd gehouden. Onder andere werden de volgende verslagen gegeven:
In een zeker dorpje in Frankrijk leren drie jonge meisjes van 11, 15 en 17 jaar door Jehovah’s getuigen de waarheid kennen en bezoeken de vergaderingen. Hun ouders trachten hen te ontmoedigen door de Bijbelse studiehulpmiddelen van het Genootschap te vernietigen; derhalve zetten de meisjes hun studie in de koestal voort. Spoedig begint Lucienne, de jongste, met haar vriendjes en vriendinnetjes over Gods koninkrijk te spreken, en wanneer de dorpspastoor hun de catechismus leert, antwoorden deze kinderen daarom: „Maar Monsieur le curé, Lucienne zegt dat het niet in de Bijbel staat.” Dit gebeurt week in, week uit, totdat de pastoor op zekere dag in wanhoop al zijn parochianen waarschuwt voor kleine Lucienne. Maar Lucienne gaat door met praten, en ten slotte gaat de pastoor naar haar moeder en zegt: „Mevrouw, u behoort uw kinderen te verbieden tot anderen te spreken! Als zij er op staan de Bijbel te leren, laten zij het dan voor zichzelf houden. Ik waarschuw u!” Maar wat antwoordt moeder? „Hebt u ooit een meisje kunnen verbieden te spreken?” Natuurlijk, niets kon hen verhinderen van de goede dingen die zij hadden geleerd, overvol te zijn, en tijdens de volgende vergadering van Jehovah’s getuigen werden alle drie de meisjes gedoopt.
Tot degenen die onlangs in Guatemala zijn begonnen Jehovah te loven, behoort een zes en tachtigjarige voormalige protestantse dominee. Hij is een geregelde en nauwgezette bezoeker van de vergaderingen van de gemeente, hoewel dit betekent dat hij verschillende kilometers per paard moet afleggen. Wanneer hij anderen over Jehovah’s goedheid vertelt, laat hij nooit na de opmerking te maken: „Stel je voor! Al die jaren dacht ik dat ik naar de hemel zou gaan, en nu bemerk ik dat ik op de aarde zal leven!” Hij is gelukkig met dit vooruitzicht.
En tot de kinderen die Jehovah loven in Guatemala, behoort een twaalf-jaar-oude jongen. Zijn moeder had het door het Wachttorengenootschap uitgegeven Bijbelse studiehulpmiddel „Dit betekent eeuwig leven” genomen; en van het begin af legde deze jongen een werkelijke belangstelling aan de dag en hij smeekte anderen het boek aan hem voor te lezen, daar hij blind was. Ondanks zijn belemmering neemt hij geregeld deel aan de velddienst, hij verspreidt Bijbelse lectuur aan zijn buren en brengt nabezoeken.
In een eenzaam, afgelegen plaatsje in het hoogste gedeelte van het Apennijnengebergte in Midden-Italië, begon een vier en tachtig-jaar-oude eenzame getuige voor Jehovah het goede nieuws van het Koninkrijk te prediken. Met een stok in iedere hand om zijn zwakke, gebogen lichaam te ondersteunen, en een pak lectuur op zijn rug, bezoekt hij de mensen die verspreid langs de oneffen bergpaadjes wonen. Daar hij vóór zes uur in de morgen begint, keert hij vóór twaalf uur ’s middags terug, om de hete zon te ontvlieden. Hij is menigmaal gevallen terwijl hij de levensgevaarlijke bergpaadjes beklom. Zijn werk is zo doeltreffend geweest, dat de Katholieke Kerk twee jonge monniken als zendelingen heeft gestuurd om zijn werk tegen te werken. Zij volgden hem op de bergpaadjes, terwijl zij trachtten de mensen er van te doen afschrikken naar zijn boodschap te luisteren en hen die lectuur hadden genomen, aanspoorden het naar de stad te brengen om het te laten verbranden. Ondanks deze tegenstand werd er in zes maanden een gemeente opgericht. Een jaar later werden dertig personen gedoopt; dit alles als gevolg van het overwinnen van reusachtige hindernissen door deze vier en tachtig-jaar-oude getuige.
In Nicaragua vergezelt een vijf-jaar-oud meisje haar moeder in de velddienst en zij gaat zelf van huis tot huis terwijl zij getuigenis geeft en aan de bewoners tijdschriften verspreidt. Op zekere dag, toen zij haar bijgelovige, bejaarde grootmoeder bezocht, legde zij haar uit wie Jehovah is, en waarom de beelden die zij had, die niet konden zien, horen of spreken, waardeloos waren.
In Finland werd een meisje van negen jaar actief in de velddienst en zij bezocht niet alleen geregeld de vergaderingen van de gemeente, maar zij bestudeerde haar les van tevoren en gaf goede antwoorden op de vragen die werden gesteld. Toen ze uiting gaf aan haar verlangen, haar opdracht aan Jehovah te symboliseren door de waterdoop, merkte haar moeder op dat zij niet geheel waren voorbereid om zulk een stap te doen. Het kleine meisje antwoordde: „Natuurlijk, u kunt niet komen, moeder, omdat u het niet begrijpt; maar laat mij gaan; ik ken de waarheid.” Ze ging en werd gedoopt.