Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w54 15/4 blz. 115-120
  • De verdienste van het rantsoen van Jezus Christus

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De verdienste van het rantsoen van Jezus Christus
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1954
  • Vergelijkbare artikelen
  • „Verlossing door rantsoen”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1954
  • Wat betekent Jezus’ dood voor u?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1990
  • Thans voordeel trekken van Christus’ losprijs
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1964
  • Waarvoor verschafte Christus het rantsoen?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1958
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1954
w54 15/4 blz. 115-120

De verdienste van het rantsoen van Jezus Christus

„Want er is één God, en één middelaar tussen God en de mensen, een mens Christus Jezus, die zichzelf heeft gegeven als een overeenkomstig rantsoen voor alle soorten van mensen.” — 1 Tim. 2:5, 6, NW, marge.

1. In welk opzicht staat Jezus Christus alleen in de geschiedenis der wereld?

JEZUS CHRISTUS van Nazareth steeg van zijn geboorte in een kribbe tot een positie die van levensbelang is voor de mensheid. Geen enkele andere persoon sedert de schepping van Adam heeft zulk een onuitwisbaar stempel op de bladzijden der geschiedenis gedrukt, en evenmin is enige andere persoon ooit zo universeel het onderwerp van geschillen geweest. Talloze andere mensen hebben als martelaren de dood gevonden voor zaken die zij het waard achtten er hun volledige toewijding aan te geven, maar in geen ander geval is aan zulke martelaren de taak van redder toegeschreven. Jezus Christus staat alleen in de geschiedenis der wereld als iemand van wie wordt gezegd dat zijn dood hem bekwaam maakte om als de Verlosser der mensheid op te treden. Zijn positie is zo uniek, dat een toegewijde discipel van hem zich gedwongen gevoelde te zeggen: „Er [is] . . . in niemand anders redding, want er is geen andere naam onder de hemel die onder de mensen is gegeven, waardoor wij gered moeten worden” (Hand. 4:12, NW). Zulk een uitwerking is stellig niet aan de dood van enig ander mens toegeschreven.

2, 3. Welke tegengestelde meningen betreffende hem worden erop na gehouden, en tot welke van levensbelang zijnde vragen geven ze aanleiding?

2 In weerwil van het feit dat alom in de Christenheid wordt beleden dat Jezus Christus de Loskoper van de gevallen mensheid is, bestaat er toch een groot misverstand met betrekking tot de taak die hij in de voornemens van de Almachtige God vervult. Zelfs onder hen die belijden in hem te geloven, heerst in werkelijkheid een ontstellend ongeloof in de verdienste van zijn leven, dat als een rantsoen is gegeven. Dan zijn er natuurlijk millioenen die, alhoewel zij erkennen dat hij een vooraanstaande persoon in de Joodse geschiedenis was, niets bijzonders aan zijn leven of dood toeschrijven behalve zijn toewijding aan bepaalde beginselen die hij goed achtte. In tegenstelling hiermede werden echter zelfs voordat Christus verscheen ’andere mensen gemarteld omdat zij geen verlossing door een of ander rantsoen wilden aannemen, opdat zij een betere opstanding mochten verkrijgen’ door middel van de in de oudheid gedane belofte van God dat hij een „zaad” zou voortbrengen hetwelk een eeuwige verlossing van zonde en de dood zou verschaffen. — Hebr. 11:35; Matth. 20:28; 2 Tim. 2:8-10, NW.

3 Wat is, op grond van datgene wat de Bijbel leert, de positie van Jezus Christus in Jehovah’s grootse regeling van dingen voor het oprichten van een volledige nieuwe wereld? Dient hij slechts als een legendarische figuur met nobele idealen te worden beschouwd, die ons een prachtig voorbeeld heeft gesteld van een deugdzaam leven? Of dienen wij hem als degene te beschouwen die zijn levensbloed als een offer heeft vergoten ten einde door rantsoen de levensrechten te kopen welke Adam, doordat hij in opstand kwam, had verloren, en het aldus voor mensen mogelijk te maken uiteindelijk voor eeuwig te leven? Het juiste antwoord op deze vragen is van levensbelang voor iedere persoon die tegenwoordig leeft.

4. In welk opzicht was de verschijning van Christus verschillend van die van enig ander mens?

4 Het is belangrijk te beseffen dat Jezus Christus niet plotseling op het menselijke toneel verscheen en zich als een redder bekendmaakte. Hij was niet slechts een man met ongewone gaven en geestelijk talent, die wegens zijn energieke activiteit een stempel op de beschaving drukte, zoals andere mensen van tijd tot tijd hebben gedaan en waarin zij in verscheidene maten succes hebben gehad. Neen, in het geheel niet! Zijn verschijning was daarentegen uitzonderlijk verschillend, want zijn komst werd vele eeuwen voordien voorzegd. Mensen met een goddelijk inzicht zagen naar de verschijning van een redder der mensheid uit wegens de belofte die Jehovah in Eden betreffende de komst van een „zaad” van rechtvaardigheid had gedaan. — Gen. 3:15; Gal. 3:19, NW.

5. Hoe wordt de belofte aan Abraham hier in het licht gebracht?

5 Bijna 1900 jaar voor de geboorte van Christus bekrachtigde Jehovah zijn belofte aan Abraham betreffende deze Redder met een eed, zeggende: „In uw zaad zullen gezegend worden alle volken [natiën] der aarde, naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt” (Gen. 22:18; AS). Abraham en andere getrouwe mensen uit vroegere dagen zagen uit naar dit „zaad” en verlangden naar de zegeningen die door bemiddeling van dit zaad zouden komen. De apostel Paulus laat in het geheel geen twijfel bestaan betreffende de identiteit van het „zaad”, wanneer hij zegt: „De beloften nu werden tot Abraham en tot zijn zaad gesproken. Ze zegt niet: ’En tot zaden,’ zoals in het geval van vele daarvan, maar zoals in het geval van één: ’En tot uw zaad,’ hetwelk Christus is.” — Gal. 3:16, NW.

6. Wat wordt door de woorden van Mozes en de belofte aan David aangetoond met betrekking tot de Christus?

6 Meer dan driehonderd jaar na de tijd van Abraham sprak Mozes tot Israël over deze zelfde komende redder, zeggende dat een ieder die niet naar hem zou luisteren, niet zou leven (Deut. 18:19; Lev. 23:29). Petrus bevestigt het historische feit dat Mozes de komst van de redder, Christus, voorzeide, door te zeggen: „In feite heeft Mozes gezegd: ’Jehovah God zal voor u uit het midden van uw broeders een profeet doen voortkomen gelijk mij. Gij moet naar hem luisteren overeenkomstig alle dingen die hij tot u spreekt. Voorwaar, elke ziel die niet luistert naar die Profeet, zal volledig worden verdelgd uit het midden van het volk’” (Hand. 3:22, 23, NW). David was een rechtstreekse afstammeling van Abraham, en met betrekking tot hem herhaalde Jehovah ongeveer zeshonderd jaar voordat Christus verscheen, de belofte omtrent een redder: ’Zie, de dagen komen, luidt het woord van Jehovah, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; die zal als koning regeren, . . . en die zal recht en gerechtigheid doen in het land.’ — Jer. 23:5; 33:15, NBG.

7. Welke andere profetische dingen stonden er betreffende Jezus Christus geschreven, en waarover zijn alle profeten het eens?

7 Ongeveer 150 jaar voordat Jeremia de bovengenoemde woorden in het heilige Bericht optekende, schreef de profeet Jesaja, die zeer goed wist dat de Verlosser via de geslachtslijn van Abraham en David zou komen, onder inspiratie: „Want een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven; en de regering zal op zijn schouder zijn; en zijn naam zal worden genoemd: Wonderlijk, Raadgever, Machtige God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Aan de uitbreiding van zijn regering en van vrede zal geen einde zijn, op de troon van David en op zijn koninkrijk, om het te bevestigen, en het te schragen met recht en met gerechtigheid van nu aan tot in eeuwigheid” (Jes. 9:6, 7, AS; vs. 5, 6, Statenvert.). Er was voorzegd dat Bethlehem de plaats van zijn geboorte zou zijn (Micha 5:1). In werkelijkheid waren alle profeten het er over eens dat er een verlosser op het menselijke toneel zou verschijnen; en „van hem leggen alle profeten getuigenis af, dat een ieder die in hem geloof stelt, vergeving van zonden krijgt door zijn naam.” — Hand. 10:43, NW.

8. Welke ondersteunende feiten tonen aan dat Johannes het niet bij het verkeerde eind had toen hij de identiteit van Jezus vaststelde?

8 De profeet Jesaja maakte van tevoren opmerkelijke bijzonderheden betreffende Jezus Christus bekend, namelijk, dat hij veracht en verworpen zou zijn, een man van smarten en vertrouwd met droefheid; dat zijn leven tot een offerande gemaakt zou worden voor de zonden van velen, dat hij een voorspraak zou zijn voor de mensheid, dat hij wanneer hij werd verdrukt en gekweld, zijn mond niet zou openen om te klagen maar zich zou laten offeren gelijk een lam dat ter slachting wordt geleid. Geen wonder dat Johannes de Doper, toen hij Jezus zag naderen, luide uitriep: „Ziet, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt!” (Joh. 1:29, NW; Jes. 53:3-9, AS) Dat Johannes een juiste gevolgtrekking maakte toen hij vaststelde dat Jezus de Verlosser was, wordt verzekerd door het bericht waarin de woorden staan opgetekend die dertig jaar voordien door de engel waren bekendgemaakt, toen dit machtige geestelijke schepsel tot de herders zeide: „Hebt geen vrees, want, ziet! ik maak u goed nieuws bekend over een grote blijdschap die alle mensen ten deel zal vallen, want heden werd u een Redder geboren, die is Christus, de Heer, in Davids stad” (Luk. 2:10, 11, NW). Het is buiten alle twijfel dat Jezus Christus niet zichzelf tot redder had uitgeroepen, maar dat hij was gekomen als een vervulling van beloften die God vele eeuwen tevoren had gedaan.

9. Hoe bevestigen de apostelen de waarheid dat Jezus werd gezonden?

9 De apostel Johannes ondersteunt deze zienswijze door onomwonden te verklaren dat God degene was die Jezus heeft gezonden. „Want God heeft de wereld zozeer liefgehad, dat hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat een iegelijk die in hem geloof oefent, niet vernietigd zou worden, maar eeuwig leven zou hebben” (Joh. 3:16, NW). Jezus was dus niet een gewone sterveling die door Jehovah werd uitgekozen opdat deze hem zou gebruiken in een rantsoen te voorzien, maar hij was terecht degene die rechtstreeks uit Gods hemelse rijk was gekomen met het speciale doel de naam van de Vader te rechtvaardigen en een rantsoen te verschaffen. Jezus’ voormenselijke bestaan ging terug tot vóór de tijd dat de mensheid of zelfs de aarde zelf, ontstond (Joh. 1:1-3; Spr. 8:22-36). Zijn discipelen beseften de grote liefde welke Jehovah tot uitdrukking bracht door zijn Zoon te zenden. Zij wisten dat Jezus Christus niet slechts een mens was zoals zij, en zij aarzelden niet om dit bekend te maken (Mattheüs 16:16, NW). „Hierdoor werd de liefde van God jegens ons openbaar gemaakt, dat God zijn eniggeboren Zoon in de wereld heeft gezonden opdat wij door bemiddeling van hem leven mochten verwerven. . . . wij zelf hebben aanschouwd en betuigen dat de Vader zijn Zoon heeft uitgezonden als Redder der wereld.” — 1 Joh. 4:9, 14 NW.

10. Hoe leiden valse gevolgtrekkingen, die door enkele religie-aanhangers worden gemaakt er toe dat zij in dwaling verkeren met betrekking tot de Christus?

10 Maar er zijn enkele religieuze mensen die loochenen dat Jezus Gods zoon was en dat hij in het vlees was gekomen doordat Jehovah hem op wonderbaarlijke wijze naar de schoot van een Joodse maagd, Maria, had overgebracht. In plaats daarvan leren zij de incarnatietheorie, zeggende dat Jezus in werkelijkheid God zelf was, die zijn geestelijke lichaam met een omhulsel van vlees bekleedde, zoals engelen hadden gedaan toen zij aan Abraham, Lot en anderen verschenen (Gen. 18:1, 2; 19:1; Richt. 13:9-11, 16). Drieëenheidsaanhangers zitten met dezelfde onjuiste redenatie, daar zij geloven dat God en Christus een en dezelfde zijn. Deze dwaalleer dwingt tot nog andere verkeerde gevolgtrekkingen. Volgens deze theorie moet men bijvoorbeeld aannemen dat Jezus’ vermoeidheid en lijden slechts waren voorgewend, want geen geestelijk schepsel kan vermoeid zijn en lijden. Men moet tot de gevolgtrekking komen dat zijn gebeden waren voorgewend, daar hij per slot van rekening slechts tot zichzelf bad, en dit enkel en alleen wegens de diepe indruk welke daardoor op zijn discipelen en anderen werd gemaakt (Joh. 17, NW). Nog verder op dezelfde dwaalweg zou op grond van de oorspronkelijke stelling, de gevolgtrekking gemaakt moeten worden dat Christus’ dood slechts een schijndood was, want aangezien God onsterfelijk is, kan hij niet werkelijk sterven; er is dus in het geheel geen werkelijke dood geweest en er is helemaal geen bloed vergoten als een rantsoen voor de mensheid!

11, 12. Welke andere meningen worden er door religieuze leiders op na gehouden?

11 Nauw verwant aan deze gewaagde redenatie zijn de gevolgtrekkingen van hen die in de „morele invloedstheorie” geloven. Zij zijn van mening dat Christus enkel en alleen werd gezonden om de liefde van God op zulk een hartroerende wijze te openbaren dat het hart er door zou smelten en de mensen er toe bewogen zouden worden de zonde te verzaken (Theology at the Dawn of the Twentieth Century, blz. 261). „Strik genomen,” zo zeggen zij „was de dood van Christus niet noodzakelijk voor de redding der mensen.”

12 Het is dus niet verwonderlijk wanneer wij een zeer vooraanstaande religieuze leider aantreffen die met betrekking tot het rantsoen het volgende zegt: „Natuurlijk geloof ik niet in de Geboorte uit een Maagd, of in die ouderwetse leerstelling der Verzoening, welke er voor in de plaats is gesteld; en ik ken geen enkele intelligente Christelijke predikant die er wel in gelooft. De moeilijkheid met deze fundamentalisten is, dat zij veronderstellen dat iemand, tenzij hij het met hen eens is over de wijze waarop zij hun leerstellingen hebben vast gesteld, niet kan geloven in de diepe, substantiële, eeuwige waarheden van het Christelijke evangelie, welke het leven van de mensen veranderen, en de enige hoop zijn van Christus’ reddende macht in deze wereld.”a Tot deze klasse van mensen behoren zij die het bespottelijk vinden dat de dood van Jezus Christus noodzakelijk is ten einde in een rantsoen te voorzien omdat, zoals zij zeggen, er een moord voor nodig is om de wil van God te vervullen.

13. Waaruit blijkt dat zij geen geloof in het rantsoen hebben, wat hen in de klasse plaatst die door Petrus werd beschreven?

13 Wij treffen dus religieuze mensen aan, en nog wel leiders, die in werkelijkheid de verdienste van het rantsoen van Jezus Christus loochenen. Goed, zij spreken over de „eeuwige waarheden van het Christelijke evangelie,” maar in hun ogen zijn de beginselen die in de Tien Geboden zijn opgenomen plus de nieuwe geboden die Christus heeft geleerd, de liefde voor God, de liefde voor de naaste en zelfs voor hem te sterven, de dingen „welke het leven van de mensen veranderen, en de enige hoop zijn van Christus’ reddende macht in deze wereld.” Krachtens hun eigen woorden en daden geloven zij niet dat het leven van Jezus Christus, hetwelk in een offerandelijke dood werd afgelegd, werkelijk diende om voor de mensheid de weg te openen opdat zij wederom de volmaaktheid van het vlees en de eenheid met God konden verwerven die Adam het eerst had verloren doordat hij in opstand kwam en aldus zondigde. Feitelijk verloochenen zij Christus als hun verlosser en redder, en zij geloven niet dat de waarde van zijn vergoten bloed de prijs was die aan God werd betaald ten einde voor de mensheid de levensrechten welke door Adam werden verloren, wederom te verwerven. Terwijl zij voorgeven dienstknechten van God te zijn, zijn zij in werkelijkheid valse leraars. Hoe nauwkeurig beschrijft Petrus hen: „Er zullen ook valse leraars onder u zijn. Juist dezen zullen heimelijk verderfelijke sekten invoeren en zullen zelfs de eigenaar, die hen heeft gekocht, verloochenen, een spoedige vernietiging over zichzelf brengend.” — 2 Petr. 2:1; 1 Kor. 1:18, NW.

14. Van welke waarheid moeten eerlijke personen een begrip hebben en volledig zijn doordrongen?

14 Een ieder die belangstelt in leven, moet een begrip hebben en volledig zijn doordrongen van de waarheid die in de Heilige Schrift op een zeer uitdrukkelijke en duidelijke manier wordt bekendgemaakt, dat iemand alleen door de verdienste van het rantsoen van Jezus Christus ooit redding zal verkrijgen. Bovendien moet een ieder die redding verwerft, aan de voorwaarden van het rantsoen voldoen en aldus in aanmerking komen overeenkomstig Gods maatstaven. In de laatste analyse zullen de philosophieën van mensen en alle wereldse kennis en menselijke redeneringen die zij tegen de Schrift kunnen inbrengen, niets te betekenen hebben. Het Woord van God is zeker, krachtig en er kan op worden vertrouwd als het woord dat van degene afkomstig is die alle kennis heeft en die alle macht bezit om zijn woord te ondersteunen en het in vervulling te doen gaan. Wij wenden ons terecht tot hem voor een uitleg van de positie die zijn Zoon inneemt in het goddelijke voornemen zoals het betrekking heeft op de redding van de mensheid.

15. Wat betekent „rantsoeneren,” en waarom heeft het gehele menselijke geslacht dit nodig?

15 „Rantsoeneren” betekent „verlossen uit gevangenschap, slavernij, straf of dergelijke, door een prijs te betalen; uit dienstbaarheid kopen; bevrijden, zoals van zonde, de straf op de zonde, of dergelijke; de Verlosser zijn van” (Websters New International Dictionary, 2de Uitgave). Dat de mensheid sedert Eden in dienstbaarheid aan zonde en de straf op de zonde, de dood, heeft verkeerd, wordt toegegeven. „Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen,” zeide David (Ps. 51:7). Deze bekentenis van David dat hij in dienstbaarheid verkeerde, was niet alleen op hem van toepassing, want Paulus bevestigt dat deze woorden waar zijn ten aanzien van het gehele menselijke geslacht, wanneer hij zegt: „Door één man is de zonde de wereld binnengekomen en door de zonde de dood, en de dood heeft zich aldus tot alle mensen uitgebreid omdat zij allen hadden gezondigd” (Rom. 5:12, NW). Het gehele menselijke geslacht is in dienstbaarheid en slavernij geweest, en is dit nog steeds, hetgeen de dood tot gevolg heeft, en het heeft een Loskoper nodig die bevrijding kan bewerkstelligen indien de volledige vrijheid van Eden in haar volmaaktheid ooit wederom verwezenlijkt zal worden. — Hebr. 2:15, NW.

16. Op welke voorwaarden zou de mens van de straf op de zonde, de dood, bevrijd kunnen worden?

16 De dood komt rechtens over de mens, door middel van de werking van Jehovah’s rechtvaardige en volmaakte wetten. Het was van Gods zijde geen onrechtvaardigheid, want de mens bracht deze slavernij over zichzelf, tezamen met de straf welke er op stond, de dood. God kon, in overeenstemming met de gerechtigheid, de dood voor alle toekomende tijd over de mensen laten regeren, maar zijn grote eigenschap van liefde en barmhartigheid beweegt hem er toe voor mensen die tot rechtvaardigheid neigen, in een uitweg te voorzien. Wanneer Jehovah zijn barmhartigheid echter laat gelden, kan hij de gerechtigheid van de straf, namelijk het doodsoordeel dat over de mens is uitgesproken, niet over het hoofd zien of negeren. „Leven voor leven, oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet” — hierdoor worden de voorwaarden en beginselen tot uitdrukking gebracht overeenkomstig welke God altijd te werk is gegaan (Ex. 21:23, 24, NBG). Dientengevolge kon datgene wat volgens Jehovah’s besluit de straf op de zonde der mensheid is, namelijk de dood, alleen worden opgeheven door de betaling van een rantsoen of overeenkomstige prijs. Indien er iemand gevonden kon worden die bereid en in staat zou zijn dit rantsoen te betalen, en aldus Jehovah’s rechtvaardige wet te vervullen, zou zijn barmhartigheid tot de mensheid uitgestrekt kunnen worden. Jezus Christus was bereid en in staat de mens uit diens dienstbaarheid te kopen.

17. Hoe wordt Gods grote liefde in dit opzicht getoond?

17 Dat Jehovah’s liefde en barmhartigheid Christus er toe bewogen in de betaling van een rantsoen te voorzien, wordt duidelijk aangetoond in Johannes 3:16 (NW): „Want God heeft de wereld zozeer liefgehad, dat hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat een iegelijk die in hem geloof oefent, niet vernietigd zou worden, maar eeuwig leven zou hebben.” Het was een daad die van God uitging, en ze ging vergezeld van de bereidheid van zijn Zoon om aan de voorwaarden van gerechtigheid te voldoen door het rantsoen te betalen. „Hierdoor werd de liefde van God jegens ons openbaar gemaakt, dat God zijn eniggeboren Zoon in de wereld heeft gezonden opdat wij door bemiddeling van hem leven mochten verwerven. De liefde bestaat in dit opzicht, niet hierin dat wij God hebben liefgehad, maar dat hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft uitgezonden als een zoenoffer voor onze zonden” (1 Joh. 4:9, 10, NW). Uit liefde voor Jehovah en de gevallen mens was Jezus Christus bereid de rantsoenprijs te betalen.

18. Was het vereiste van een rantsoen iets nieuws voor God?

18 Het was niets nieuws voor Jehovah om aldus het betalen van een rantsoen te vereisen. Hij volgde slechts hetzelfde fundamentele beginsel dat hij had gevolgd in zijn betrekkingen met Israël toen hij de Loskoper of Verlosser van die natie was. Hij zeide over zichzelf: „Want Ik, Jehovah, ben uw God, de Heilige Israëls, uw Verlosser; Ik geef Egypte, Ethiopië en Seba als losgeld [rantsoen] in uw plaats. Omdat gij kostbaar zijt in mijn ogen en hooggeschat en Ik u liefheb, geef Ik mensen voor u in de plaats en natiën in ruil voor uw leven” (Jes. 43:3, 4, NBG, AS). De verordeningen van het wetsverbond, dat aan Israël was gegeven, voorzagen in de betaling van een rantsoen hetwelk in het geval van bepaalde soorten van overtredingen als een loskoping voor iemands leven diende. De volkstelling-belasting van een halve sikkel voor iedere Hebreeër werd geacht het rantsoen te zijn dat verzoening deed voor hun leven (Ex. 21:28-32; 30:12-16). De jaarlijkse offerande van een stier en van een bok voor de zonden van het volk, diende als een verzoening of rantsoen dat door Jehovah werd erkend en aanvaard. — Lev. 4:1-35; 5:1-19; 16:1-31; Spr. 21:18.

19. In welk opzicht is de betaling van een rantsoen iets moeilijks?

19 In het geval van de mens kon het rantsoen dat door God werd vereist om volmaaktheid en eeuwig leven te herstellen, niet met zilver, goud of andere kostbare dingen worden betaald, noch met het bloed van dieren, want deze betalingen zouden niet overeenkomen of gelijkstaan met het volmaakte leven dat Adam voor de gehele mensheid had verloren (1 Petr. 1:18, 19, NW). In Psalm 49 (NBG) wordt aan alle „bewoners der wereld, zowel geringen als aanzienlijken, rijken en armen” te kennen gegeven dat de mens God nooit een rantsoen kan geven voor zijn leven, „te hoog immers is de prijs voor hun leven, en voor altoos ontoereikend.” Hieruit volgt dus dat er, tenzij Jehovah in het middel voorzag dat het overeenkomstig rantsoen zou betalen, nooit een herstel uit zonde en dood zou zijn. God heeft deze voorziening getroffen door zijn eniggeboren Zoon het voorrecht te verlenen een volmaakt menselijk leven als een slachtoffer te geven. — Gal. 4:4, 5, NW.

20. Wat was Christus’ houding ten aanzien van deze offerandelijke loopbaan, die voor hem was afgebakend?

20 Jehovah behoefde zijn Zoon niet te dwingen deze offerandelijke loopbaan te volgen, maar Jezus volgde ze gewillig toen hij bemerkte dat het de wil van zijn Vader was. Paulus zegt aangaande hem: ’Hij overwoog geen wederrechtelijke toeëigening, namelijk, dat hij gelijk aan God zou zijn. Neen, hij ontledigde zich en nam de gedaante van een slaaf aan en verscheen in de gelijkenis van mensen. Meer dan dat, toen hij zich in gedaante bevond als een mens, vernederde hij zich en werd gehoorzaam tot de dood, ja, de dood aan een martelpaal’ (Fil. 2:6-8, NW). Jezus zelf bevestigt dat hij bereid was om zijn leven als een slachtoffer te geven, zeggende: „Daarom heeft de Vader mij lief, omdat ik afstand doe van mijn ziel [leven], opdat ik ze wederom moge ontvangen. Geen enkel mens heeft ze van mij weggenomen, maar ik doe er op eigen initiatief afstand van” (Joh. 10:17, 18, NW, marge). Als het offerandelijke lam Gods deed Jezus Christus vastberaden, bereidwillig en onwrikbaar stappen in de richting van het offer dat hij aan de martelpaal zou brengen, terwijl hij zich er ten volle van bewust was dat hij hierdoor in het rantsoen voor de gelovige mensheid zou kunnen voorzien. — Jes. 53:7.

21. Hoe heeft Jehovah in zijn goedertierenheid een basis verschaft voor geloof in het rantsoen van Jezus Christus?

21 Ongetwijfeld heeft Jezus lang voor zijn wonderbaarlijke komst naar de aarde, in zijn voor menselijke bestaan, uiting gegeven aan zijn bereidwilligheid het rantsoen te verschaffen. Dit moet zo zijn geweest, want lang voor de aardse advent van Jezus illustreerde Jehovah door bemiddeling van Abraham hoe hij zijn Zoon als een slachtoffer zou geven, en hoe die Zoon uit eigen beweging zijn leven zou geven (Gen. 22:1-19). Onmiddellijk nadat Jehovah door bemiddeling van Abraham deze profetische afbeelding had gegeven, deed hij de belofte dat ’in uw zaad alle volken der aarde gezegend zullen worden,’ welk „zaad” door Paulus werd geïdentificeerd als de Christus. God toonde dus aan dat op een bepaalde tijd die in Abrahams dagen nog in de toekomst lag, zijn geliefde Zoon zou komen om het grote offer te brengen. Jehovah legde in zijn geschreven Woord een grondslag opdat rechtvaardig gezinde mensen hun hoop zouden kunnen vestigen op deze grote gebeurtenis en de talloze zegeningen die hun hierdoor ten deel zouden vallen. Er werd een betrouwbaar bericht opgesteld waardoor mensen in staat zouden zijn degene die voor hen een rantsoen zou verschaffen, te identificeren (Spr. 8:22-36; Joh. 8:58, NW). Een grote verlossing was nu in zicht, doch ze zou stellig door middel van het rantsoen van Jezus Christus komen.

[Voetnoten]

a Christian Beacon, 9 mei 1946, Deel XI, No. 13 (Harry Emerson Fosdick).

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen