Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w54 1/8 blz. 239
  • Vragen van lezers

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Vragen van lezers
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1954
  • Vergelijkbare artikelen
  • Vragen van lezers
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2010
  • De uitdaging van het „goede nieuws”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1963
  • In welke verhouding staat Israël tot God?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1958
  • Jehovah: Echtgenoot, Vader en Onderwijzer
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1953
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1954
w54 1/8 blz. 239

Vragen van lezers

● Hoe kunnen wij Ezechiël 18:20, waar staat dat de zoon de ongerechtigheid van de vader niet zal dragen, in overeenstemming brengen met Exodus 20:5, waar staat dat God de misdaad of de ongerechtigheid van de vaderen zal bezoeken aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht? — M.L., Duitsland.

In Ezechiël 18:20 wordt aangetoond dat iedere persoon, nadat hij de leeftijd van verantwoordelijkheid heeft bereikt, wordt geoordeeld op grond van zijn eigen houding en gedrag. Opleiding in de vroege jaren en gezinsomgeving kunnen voor de nakomelingen een grote hulp of belemmering zijn, en in de regel blijven kinderen de voorbeelden van gedrag volgen welke gedurende hun vormingsjaren zijn vastgelegd (Spr. 22:6). Toch is dit niet altijd of onveranderlijk het geval, en wanneer de nakomeling de leeftijd van verantwoordelijkheid bereikt, handelt hij overeenkomstig zijn eigen keuze, ongeacht hoe weinig of hoe veel invloed opleiding in de vroege jaren en omgeving op zulke beslissingen mogen hebben. Hij kiest een bepaalde loopbaan in het leven, en hij wordt geoordeeld overeenkomstig zijn eigen daden. „God is niet iemand die men kan bespotten. Want al wat een mens zaait, zal hij ook maaien.” „Hij zal een ieder vergelden naar zijn werken.” Jezus toonde aan dat er wegens hem verdeeldheid in de gezinnen zou komen, enkelen zouden hem verkiezen te volgen in Jehovah’s dienst en anderen van het gezin zouden tegenstanders worden: „Ik ben gekomen om verdeeldheid te veroorzaken, waarbij een man tegen zijn vader verdeeld is, en een dochter tegen haar moeder.” De Christelijke zoon van een vader die tegen de waarheid gekant is, zou de ongerechtigheid van zijn vader niet dragen, maar zou gunstig worden geoordeeld op grond van zijn eigen Christelijke werken. — Gal. 6:7; Rom. 2:6; Matth. 10:35, NW.

Ezechiël 18:20 houdt de uiterst strenge doodstraf in: „De ziel, die zondigt, die zal sterven.” Indien de goddeloze zich tot rechtvaardigheid keert, „zal hij voorzeker leven; hij zal niet sterven.” Indien de rechtvaardige zich tot goddeloosheid keert, zal hij „in zijn overtreding, waardoor hij overtreden heeft, en in zijn zonde, die hij gezondigd heeft,” sterven. Daarom roept Jehovah uit, wanneer hij tot het hoogtepunt van zijn betoog is gekomen: „Waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls? . . . bekeert u en leeft” (Ezech. 18:21, NBG; 18:24, 31, 32). Ezechiël 18:20 komt derhalve overeen met Deuteronomium 24:16, met betrekking tot wie de doodstraf ondergaan: „De vaders zullen niet gedood worden voor de kinderen, en de kinderen zullen niet gedood worden voor de vaders; een ieder zal om zijn zonde gedood worden.”

Het geval van Exodus 20:5 is anders. Bij monde van Mozes zeide Jehovah tot Israël: „Indien gij mijn stem strikt zult gehoorzamen en mijn verbond werkelijk zult houden, zult gij stellig mijn speciale bezit worden uit alle andere volken, want de gehele aarde behoort mij toe. En gij zelf zult mij een koninkrijk van priesters en een heilige natie worden.” De oudere mannen, die de natie vertegenwoordigden, brachten Mozes het antwoord dat de natie aan God gaf: „Alles wat Jehovah heeft gesproken, zijn wij bereid te doen.” Het verbond werd met de natie gesloten, niet met afzonderlijke personen. De eerste woorden van dit verbond kwamen er op neer, dat Jehovah hun God was, dat zij geen andere goden in strijd met hem mochten hebben en dat zij nimmer beelden mochten maken om die te aanbidden. Vervolgens gaf Jehovah, in verband met dit gebod waarin afgoderij werd verboden, zijn reden voor dit gebod: „Want ik, Jehovah, uw God, ben een God die exclusieve toewijding eis, terwijl ik bestraffing breng voor de ongerechtigheid van de vaders op de zoons tot de kleinzoons en de achterkleinzoons toe in het geval van hen die mij haten, maar goedertierenheid oefen jegens duizenden van hen die mij liefhebben en mijn geboden houden.” — Ex. 19:3-8; 20:1-6, NW.

Hier wordt het beginsel onder woorden gebracht, hoe God getrouwheid beloont en ontrouw vergeldt, en dit beginsel kan zowel op afzonderlijke personen als op een natie worden toegepast voor afgoderij of een andere zonde. De nationale geschiedenis van Israël die zich later ontwikkelde, was in overeenstemming met Jehovah’s waarschuwing. Toen de natie zich tot afgoderij keerde, leed ze gedurende geslachten daarna de kwade gevolgen. Er waren er altijd enkelen die hun rechtschapenheid handhaafden, en nu en dan liep het aantal van hen die God liefhadden en zijn geboden bewaarden, tot in de duizenden, ondanks de afgodische handelwijze van de natie (1 Kon. 19:14, 18). De getrouwen werden niet gestraft voor de zonden van de natie, maar alhoewel zij de gevolgen er van leden, ontvingen zij de zegeningen van Gods goedertierenheid. Alhoewel afzonderlijke personen de afgoderijen welke in de gehele natie werden bedreven, konden mijden en dit ook hebben gedaan, was het moeilijk voor hen om tegen de nationale stroom van religieuze overtredingen in te gaan.

Toen de leiders van de natie tot afgoderij vervielen, ging het volk in het algemeen met hen mee en het milieu van de natie werd geestelijk ongezond. In dit slechte milieu groeide het nieuwe geslacht op en de sterke neiging was dat zij meegesleept zouden worden in de afgodische religiën van hun vaders. Soms was het eerst geslachten later dat opeenhopende weeën ten gevolge van hun afgoderij, een nationale crisis over hen brachten, hetgeen er gewoonlijk toe leidde dat de zuivere aanbidding gedeeltelijk indien niet volledig werd hersteld.

In ieder geval leed de natie nog gedurende geslachten na haar val, indien er geen berouw was van de zijde dier latere geslachten met betrekking tot het verbond dat Jehovah God met de natie had gesloten. Het boek Richteren staat vol met verslagen over het verval van de natie en de rampzalige gevolgen (Richt. 2:11-19). Dezelfde situatie bestond gedurende de tijd dat er koningen regeerden. Jehovah besloot bijvoorbeeld om de natie te straffen voor haar afgoderij gedurende de regering van Manasse, en zelfs de daaropvolgende goede regering door Josia weerhield Jehovah er niet van dat voornemen ten uitvoer te brengen (2 Kon. 22:13-20; 23:25-27). Ondanks een tijdelijk herstel gedurende de regering van Josia verviel de natie van kwaad tot erger totdat ze gevankelijk werd weggevoerd naar Babylon en aldaar zeventig jaar verbleef. Hier was dus een geval waar de natie gedurende een periode van drie of vier of zelfs meer geslachten werd gestraft voor de misdaden der ouders. In de dagen van Jezus moest het volk, dat onder invloed van de leiders der natie stond om Jezus’ dood roepen, en toen Pilatus verklaarde dat hij onschuldig was aan het vergieten van het bloed van Jezus, antwoordde het volk: „Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen” (Matth. 27:25, NW). De Joodse natie verwierp de Messias en keerde zich tot het afgodische Romeinse rijk, en het waren voornamelijk de kinderen van deze Joodse volwassenen die de natie vormden toen ze voor de zonden van deze ouders leed, en dit geschiedde toen in 70 n. Chr. de Romeinen tegen hen opkwamen.

De ongerechtigheid of misdaad op de afstammelingen bezoeken, behoeft niet de doodstraf te betekenen, want inden de dood werd bedoeld, hoe zouden dan de vaders die de overtredingen hadden begaan, achter-achterkleinkinderen hebben? Gevallen waar Jehovah het beginsel op afzonderlijke personen toepaste, zijn Eli, wiens ambt als hogepriester wegens zijn verzuim uit zijn familie weggenomen zou worden, en dit geschiedde met Abjathar, de achter-achterkleinzoon van Eli (1 Sam. 2:27-36; 3:11-14; 14:3; 22:20; 1 Kon. 2:26, 27); en Gehazi die met melaatsheid werd geslagen omdat hij in strijd met de wens van Elisa achter de beloning van de genezen Syrische generaal Naäman was aangegaan en tot wie Elisa zeide: „Daarom zal de melaatsheid van Naäman over u en uw nageslacht komen, voor eeuwig!” (2 Kon. 5:1-27, OB). Hierdoor werden hun kinderen of afstammelingen niet tot de dood veroordeeld maar zij zouden de nadelige gevolgen ondervinden van de ongerechtigheid van hun voorvaders. Afzonderlijke personen onder deze afstammelingen zouden zich tot Jehovah kunnen keren en in enige mate verlichting en gunst kunnen ontvangen.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen