Vrijheid van aanbidding in Nigeria hooggehouden
DE VIJANDEN van Jehovah’s dienstknechten hebben steeds valse beschuldigingen tegen hen aangevoerd, zoals de Bijbel herhaaldelijk toont. Soms hebben deze aanklachten echter gelijk een boemerang gewerkt, zoals in het geval van Daniël. Een hedendaags voorbeeld van goddelozen die een kuil graven door middel van valse aanklachten en er dan zelf in vallen, wordt hier gegeven zoals het wordt bericht door het bijkantoor van het Genootschap in Nigeria, Afrika:
„Vanwege hun weigering partij te kiezen in een geschil over landverdeling en voornamelijk vanwege hun predikingsactiviteiten, werd de kleine gemeente van Christelijke getuigen van Jehovah te Ode Irele, Nigeria, het slachtoffer van een komplot. Twee werden er gearresteerd en nadat een schijngerecht hen schuldig had bevonden op grond van zeven valse beschuldigingen, werden zij in de plaatselijke gevangenis geworpen. Er werd op de Britse districtsbestuurder een dringend beroep voor hulp gedaan, die de hoofden en de in de gevangenis geworpen getuigen bij hem ontbood voor een onderzoek.
De beschuldigingen werden onderzocht. Eerst, de weigering belasting te betalen. Tot ontsteltenis van zijn beschuldigers greep de getuige van Jehovah in zijn zak en haalde daaruit de belastingkwitanties van de afgelopen tien jaren. De beschuldiging werd door de bestuurder verontwaardigd terzijde geschoven. De tweede beschuldiging was dat de broeders weigerden mede te werken aan de gemeenschappelijke wegenbouw. Getuigen werden geroepen, die verklaarden dat de twee broeders altijd bij de eersten waren die zich voor zulke diensten meldden, en zo werd deze beschuldiging afgewezen. De derde beschuldiging was die van prediken tegen de regering. ’Wat hebt u daarop te zeggen?’ vroeg de bestuurder aan de broeders. Eén antwoordde: ’U vertegenwoordigt de regering. Indien wij tegen de regering waren, waarom zouden wij ons dan op u beroepen voor hulp? Wij geloven dat deze regering een van de beste van tegenwoordig is en wij zijn dankbaar voor de vrijheid die wij onder Britse heerschappij bezitten; maar wij zijn gebonden te zeggen dat Gods regering spoedig hier op aarde zal zijn, en deze regering zal beter zijn dan enige andere.’ Op gelijke wijze werden de overblijvende beschuldigingen behandeld en teniet gedaan.
Terwijl hij de samenzwerende hoofden een strenge berisping gaf, verlangde de bestuurder de juiste reden voor deze samenzwering te weten. Toen kwam de waarheid er uit. Vele mensen gingen belangstellen in de boodschap die de Christelijke getuigen van Jehovah hun brachten, en als een gevolg daarvan daalden het kerkbezoek en de geldelijke bijdragen. ’Wij willen Jehovah’s getuigen niet in onze stad hebben,’ zeiden de hoofden. De districtsbestuurder legde hun toen uit dat zij onder een democratie leefden waar vrijheid van aanbidding werd gegarandeerd. ’Ik geef u toestemming Jehovah’s getuigen uit uw stad weg te jagen,’ zeide hij, ’op één voorwaarde. Eerst jaagt u de Katholieken, dan de Baptisten, dan de Methodisten en alle anderen weg. Dan, wanneer u dat hebt gedaan, hebt u mijn toestemming Jehovah’s getuigen het laatste weg te jagen.’ Verder verbood hij hen meer zaken waarbij Jehovah’s getuigen waren betrokken, voor hun inheemse rechtbanken te berechten, nadrukkelijk mededelend dat alle beschuldigingen tegen hen persoonlijk in zijn tegenwoordigheid voorgelegd dienden te worden. Tot besluit zeide hij: ’Ik wil me de komende zes maanden met geen enkele klacht tegen Jehovah’s getuigen bezighouden.’
Toen gebeurde het. Volkomen terneergeslagen keerde het voornaamste hoofd naar zijn wagen terug om naar huis te gaan, maar hij kon hem niet gestart krijgen. Monteurs werden geroepen, doch zij waren niet in staat te helpen en de wagen bleef drie weken hulpeloos daar staan. Thuisgekomen bemerkten de hoofden dat de muur van de gevangenis waarin de broeders waren opgesloten, was ingestort, en in de inheemse rechtbank waar het komplot was gesmeed, bemerkten zij dat het dak was ingevallen. De broeders maken nu plannen een nieuwe Koninkrijkszaal te bouwen, want sinds de moeilijkheden begonnen, is het aantal getuigen voor Jehovah in Ode Irele toegenomen van zestien tot drie en negentig.”