Wat is er met de religie gebeurd?
ZOWEL volgens de Christian Herald als Readers Digest, is ons „belangrijkste gebrek” „te weinig. . . geloof in de Almachtige God”. Wordt dit standpunt door anderen gedeeld? Ja. Door de Episcopal Churchnews en de Manchester Guardian is „bloedarme religie” en de „achteruitgang der kerken” openlijk afgekeurd. Een artikel in Woman’s Day was in het geweer over de uitlating van kinderen dat men op de Zondagsschool nimmer over Jezus spreekt en, volgens de Sun van Baltimore is de „Christelijke” jeugd „bij onderzoek schuldig bevonden aan onwetendheid betreffende de Bijbel”.
De Journal van Milwaukee berichtte een zeer ongewoon verzoek door arbeidersbondleiders voor een studie van de soort van religieus geloof dat nodig is om aan de toestanden en problemen van deze tijd te beantwoorden. Het schreef dat de meeste leiders in de regering, het zakenleven, de journalistiek, het onderwijs, de kunsten, de boeren- en arbeidersorganisaties die van dertig tot vijftig jaar oud zijn, zo goed als geen contact met een kerk of synagoge hebben.
Een artikel in Collier’s haalde een oude boer aan die beleed: „Alleen God kan nu de wereld redden.” God? Ja! Maar worden daarmede de huidige religiën bedoeld? Neen! In feite is de hedendaagse religie verantwoordelijk voor het gebrek aan geloof in de Almachtige God, want ze heeft de verantwoordelijkheid op zich genomen dat geloof te onderwijzen. „Ds” David Glyn Evans van de Congregational Church in Basingstoke, Engeland, zeide op 19 augustus 1951: „Indien morgen het lot werd geworpen, zou de slapende kerk over boord worden gegooid”; en hij wees op het feit dat de Congregational Church gedurende de laatste dertig jaren alleen in Engeland al 100.000 leden had verloren.
Het falen van de hedendaagse religie werd getoond door een artikel in Christian Century van 27 februari, 1952, waar stond: „Religie geeft naar alle kanten de indruk in haar geheel genomen een vertroostende en geriefelijke aangelegenheid te zijn. Het Christendom van de twintigste eeuw heeft zijn nauwgezetheid verloren. Voor de meesten van ons is er geen kruis, geen onthouding, geen onderwerping van het vlees voor het belang van de geest in aanwezig. De mensen zijn er niet toe gebracht in te zien, wanneer zij naar de kerk en haar programma kijken, dat Christendom een belijdenis is voor helden of dat het aanvaarden er van ’in gevaar leven’ betekent. Het is al te bezorgd de staat en de wereld in het groot gunstig te stemmen en zich er naar te schikken. . . . De gewone man heeft weinig reden te denken dat Christenen een groep mensen zijn aan wie het is toevertrouwd de wereld ondersteboven te keren met de bedoeling haar recht te zetten. Maar dat was de algemene indruk van Christenen in de eerste eeuw. Het betekende toen iets een Christen te zijn, en het kostte iets. Niemand dacht in de jaren 30 n. Chr. tot 313 n. Chr. aan het Christendom als zijnde een gemakkelijke religie. Het was een belijdenis voor helden.”
Precies als er in de politiek veel wordt gepraat over vrede, wordt er in de religie veel gepraat over het weer strijdend worden der kerk, maar dit doel wordt niet méér bereikt dan dat de dromen van de vredestichters worden verwezenlijkt. De kerken geven er veeleer de voorkeur aan de mannen te behagen die geld, eer, politieke erkenning en „aanzien” verschaffen, welke dingen de vroege Christenen nooit hebben bezeten noch hebben gezocht, aangezien zij in plaats daarvan iets veel waardevollers hadden.
Als verdere illustratie van dit falen van zelfs de kerkleden om voldoende belangstelling te tonen voor hun religie om er op uit te trekken en er voor te gaan werken, gaf The Churchman van juni het volgende commentaar: „Hoewel het Christendom door een leek werd gesticht, hebben wij er vele jaren voor nodig gehad ons te realiseren dat wij de leek hebben beroofd van de positie van hoge waardigheid die hij innam in de vroege kerk, toen alle Christenen een koninklijk priesterschap vormden.” Maar het in dat tijdschrift behandelde onderwerp inzake de kwestie van het aan enkelen verlenen van toestemming om als lekenprediker dienst te doen, is een voorstel dat nog in gebreke blijft „een groep van mensen te verschaffen, aan wie het is toevertrouwd de wereld ondersteboven te keren met de bedoeling haar recht te zetten”.
Religieuze leiders werpen graag de schuld voor het morele verval op het volk of het communisme, zoals Kardinaal Spellman het vorig jaar deed op het Eucharistisch Congres in Spanje. Zij kunnen dat niet! Het volk is verantwoordelijk voor vele dingen, het communisme voor vele andere dingen, maar de religieuze leiders zijn verantwoordelijk voor de hedendaagse religieuze achteruitgang. Zij hebben de ware aanbidding verwaterd, hun eigen prestige verhoogd, zich verbroederd met corrupte politici en regeringen. Zij hebben hun theorieën en tradities onderwezen, in plaats van Gods Woord, en als resultaat zijn hun religiën bloedarm geworden.