Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w53 1/2 blz. 47-48
  • Vragen van lezers

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Vragen van lezers
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1953
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1953
w53 1/2 blz. 47-48

Vragen van lezers

● In 2 Samuël 24:1, NBG, wordt gezegd dat toen David God mishaagde door Israël te tellen, God hem er toe had aangezet dit te doen, terwijl in 1 Kronieken 21:1, NBG, wordt gezegd dat Satan er de oorzaak van was dat hij dit deed. Ook is het opgegeven aantal in 2 Samuël 24:9, 800.000 Israëlieten en 500.000 Judeeërs, terwijl daarentegen in 1 Kronieken 21:5 de strijdbare mannen van Israël worden berekend op 1.100.000 en die van Juda op 470.000. Hoe kunnen deze verschillen met elkaar in overeenstemming worden gebracht? — H. B., Massachusetts.

Soms wordt er in de Schrift met betrekking tot het een of ander gesproken alsof God dat doet, terwijl hij slechts toelaat dat het door een ander wordt gedaan. Aldus staat er in 2 Samuël 24:1 (NBG) geschreven: „De toorn des HEREN ontbrandde weer tegen Israël; Hij zette David tegen hen op en zeide: Ga, tel Israël en Juda.” Maar Jehovah was niet degene die David tot zondigen aanzette. Het was Satan, zoals in 1 Kronieken 21:1 (NBG) staat: „Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan, Israël te tellen.” God was misnoegd over Israël en stond daarom Satan toe deze zonde over hen te brengen, en om deze reden luidt 2 Samuël alsof God het zelf deed. De vertaling van Rotherham toont aan dat het eerder onder Gods toelating geschiedde, dan dat hij het zelf deed: „De toorn van Yahweh ontstak tegen Israël zodat hij toestond dat David tegen hen werd opgezet, zeggende: Ga Israël en Juda tellen.” De Septuaginta gaat in haar Engelse vertaling zo ver, dat ze „Satan” invoegt op de plaats van het voornaamwoord „hij”. De kanttekening in de King James Version zegt „Satan” in plaats van „hij”.

Er waren geregeld 288.000 man troepen ingeschreven in de koninklijke dienst, verdeeld in 12 groepen van elk 24.000 man. Zij dienden onder een rouleringsstelsel waarbij elke groep van 24.000 man één maand gedurende het jaar dienst deed. Er waren bovendien nog 12.000 man in dienst bij de twaalf vorsten van de stammen, hetgeen het totaal op 300.000 brengt. Blijkbaar zijn deze 300.000 man die reeds ingeschreven waren bij de 1.100.000 van 1 Kronieken inbegrepen, terwijl 2 Samuël dit niet doet (Num. 1:16; Deut. 1:15; 1 Kron. 27:1-22). En nu wat Juda betreft; in 2 Samuël worden blijkbaar de 30.000 man meegerekend die in een verkenningsleger aan de Filistijnse grens waren gelegerd en die bij het getal van 1 Kronieken niet werden inbegrepen (2 Sam. 6:1). Wij merken op dat het bericht in 2 Samuël (NBG) niet zegt „alle Israëlieten tezamen”, zoals het dit bij de vollediger telling in 1 Kronieken doet, maar er wordt slechts gezegd „Israël telde”, terwijl de alomvattende uitdrukking niet wordt gebruikt, aangezien bij de telling van 2 Samuël de geregelde geregistreerde strijdmacht niet was inbegrepen. In 1 Kronieken zegt het verslag wederom niet „alle mannen van Juda tezamen”, zoals in het geval van Israël, maar er wordt slechts gezegd „en Juda telde”, aangezien het bericht 30.000 man buiten beschouwing laat en dientengevolge niet alomvattend is.

Wanneer derhalve het gehele beeld aan een onderzoek wordt onderworpen, wanneer wij bedenken dat de verslagen door verschillende mannen werden geschreven, die verschillende gezichtspunten in gedachten hadden, dan kunnen wij de twee verslagen zonder moeilijkheden met elkaar in overeenstemming brengen.

● Het Wachttoren Genootschap zegt dat men de kinderen dient mede te nemen naar de vergaderingen. Maar wat dient men te doen indien zij nog te klein zijn om het te begrijpen? Of wat indien zij die oud genoeg zijn, niet willen? — D.C., New York.

Het Genootschap zegt dat men de kinderen naar de vergaderingen van de gemeente dient mede te nemen, omdat de Bijbel dit zegt. Deuteronomium 31:11-13 (NBG) zegt: „Wanneer geheel Israël opgaat om voor het aangezicht van den HERE, uw God, te verschijnen, op de plaats die Hij verkiezen zal, zult gij deze wet ten aanhoren van geheel Israël voorlezen. Roep het volk tezamen, mannen, vrouwen, en kinderen, ook de vreemdeling, die in uw steden woont, opdat zij er naar horen, en den HERE, uw God, leren vrezen en al de woorden dezer wet naarstig onderhouden, en opdat hun kinderen, die er niet van weten, het horen en den HERE, uw God, leren vrezen.” Indien de jonge kinderen het niet begrijpen, kunnen de ouders het later aan hen uitleggen.

Dit was de gang van zaken in Israël, wanneer de kinderen de religieuze handelingen niet begrepen. „En wanneer uw zonen tot u zeggen: Wat betekent deze dienst van u, dan zult gij zeggen: het is een Paasoffer voor den HERE, die in Egypte aan de huizen der Israëlieten voorbijging, toen Hij de Egyptenaren sloeg, maar onze huizen spaarde” (Ex. 12:26, 27, NBG). Wederom lezen wij met betrekking tot de wet betreffende de eerstgeborenen: „Wanneer uw zoon u later zal vragen: Wat betekent dat? dan zult gij tot hem zeggen: met een sterke hand heeft de HERE ons uit Egypte, uit het diensthuis, geleid. Want toen Farao bezwaar maakte ons te laten gaan, doodde de HERE, alle eerstgeborenen in het land Egypte, zowel de eerstgeborenen der mensen als die van het vee. Daarom ben ik gewoon alle mannelijke dieren, die het eerst uit den moederschoot voortkomen den HERE te offeren, terwijl ik alle eerstgeborenen mijner zonen los” (Ex. 13:14-16, NBG). De Israëlietische kinderen begrepen niet alles wat zij zagen en hoorden met betrekking tot de wet, daarom stelden zij vragen, die de ouders beantwoordden, en het gevolg was dat er onderwijs werd gegeven waarop nooit zo de nadruk zou zijn gelegd indien de kinderen niet aanwezig waren geweest en niet hadden opgelet en geluisterd. Zo ook in deze tijd, wanneer kleine kinderen de vergaderingen van de gemeente bijwonen, zien en horen zij dingen die zij niet begrijpen en die zij wellicht later aan hun ouders vragen, en aldus worden zij onderwezen.

Wat te doen met oudere kinderen die de vergaderingen niet willen bijwonen? Wanneer gij uw kinderen, als zij zeer jong zijn of als zij tussen de twaalf en twintig zijn, toestaat zich te onttrekken aan de theocratische vergaderingen, omdat zij geen zin hebben om er naar toe te gaan, laat gij hen dan ook de wereldse openbare scholen verzuimen, alleen omdat zij niet naar school willen gaan? U stuurt hen er naar toe, niet waar, of zij daaraan nu persoonlijk de voorkeur geven of niet? Waarom stuurt u hen er naar toe? Omdat u denkt dat de opleiding op de openbare scholen waardevoller voor hen is dan een theocratische opvoeding? (Spr. 8:10, 11) Of staat gij er op dat zij naar school gaan omdat de wet van het land dit eist, en omdat gij vreest de wereldse wet ongehoorzaam te zijn? Wel, eist Gods wet niet dat gij uw kinderen op alle theocratische manieren waarin is voorzien, onderwijst? en is ongehoorzaamheid aan zijn wet niet meer te vrezen dan ongehoorzaamheid aan de staat? Indien wij moeten kiezen tussen het gehoorzamen van God of de staat, gehoorzamen wij God dan niet omdat hij de allerbelangrijkste is? — Hand. 4:19; 5:29.

Sommige ouders die in de waarheid zijn, maken de fout het bezoeken der vergaderingen uit een werelds standpunt te beschouwen. Wanneer het kind niet naar de Koninkrijkszaal wenst te gaan, kunnen de ouders het verontschuldigen op grond van het feit dat het klein is, of dat het niets van de vergaderingen leert als het wordt gedwongen, of dat het de rust verstoort. De Bijbel staat echter geen uitzonderingen toe op deze gronden. Indien ouders met kleine kinderen een beetje achterin de zaal gaan zitten, dan kunnen de kinderen als zij gaan huilen, worden verwijderd totdat zij weer zijn gekalmeerd. Wanneer de ouders bij de kinderen zitten en op hen letten, kunnen rustverstoringen door de jeugd tot een minimum worden beperkt. Sommige ouders brengen het argument te berde, dat zij hun kinderen niet gedwongen naar de studie meenemen omdat zij hen niet willen dwingen de waarheid aan te nemen; zij geloven dat het beter is te wachten totdat het kind oud genoeg is zijn eigen standpunt te bepalen. Wanneer het kind een leeftijd bereikt dat het zelf verantwoordelijk is, zal het zijn eigen standpunt innemen, maar waarom het geen goed begin gegeven gedurende zijn vormingsjaren, een begin op het juiste pad dat naar het leven leidt, in plaats dat het aan zichzelf wordt overgelaten en het een prooi wordt van kinderlijke dwaasheid en van Satan. Bescherm het kind tegen zichzelf en tegen anderen. — Spr. 22:6, 15.

Zolang kinderen onder het ouderlijke dak zijn en onder de verantwoordelijkheid van de ouders staan, dienen zij het hoofd van het gezin te gehoorzamen. Kinderen moeten leren dat zij niet altijd hun eigen zin kunnen doordrijven, dat zij een hoofd boven zich hebben, evenals de vrouw, de man, de kerk en Christus (1 Kor. 11:3). Jehovah God is de enige in het universum die geen hoofd boven zich heeft. Indien Jehovah’s kinderen in de universele theocratische familie hem niet gehoorzamen, worden zij uit het huisgezin geworpen en zij worden niet langer als zonen en dochteren beschouwd, maar als onwettige kinderen (Hebr. 12:4-11, NW). Indien het hoofd van het menselijke gezin, de man, in de waarheid is, maar hij heeft zijn kinderen niet in onderworpenheid — hetgeen stellig ook inhoudt onderworpenheid in de zeer belangrijke aangelegenheid van Jehovah’s aanbidding — dan kan hij niet als een dienaar in de gemeente worden gebruikt. Indien hij over zijn eigen gezin geen leiding heeft, hoe zou hij op theocratische wijze de leiding kunnen hebben over een gemeente? (1 Tim. 3:4, 5, 12; Tit. 1:6) De kinderen dienen dus onderworpen te zijn aan de ouders, en dat houdt ook in onderworpenheid aan de eis van de ouders dat zij de vergaderingen bijwonen.

Schuwt dus het gemakzuchtige en lakse wereldse standpunt dat de kinderen hun eigen gang moeten gaan totdat zij volwassen zijn en dat zij dan maar hun eigen religie moeten kiezen. De wijdverspreide misdadigheid der jeugd beveelt de wereldse maatstaven voor het opleiden van kinderen niet aan, en evenmin pleit de godsdienstige misdadigheid voor haar methoden op dat gebied. Haar maatstaven op het gebied van het opleiden van kinderen doen Gods maatstaven niet te niet, evenmin als haar diep gezonken morele maatstaven de hoge morele eisen van Gods Woord uitwissen. Wij worden gemeten naar de maatstaven van de Bijbel, en niet naar die van de wereld. De Bijbel is onze gids, niet de wereld. Wij worden beschouwd als zijnde verschillend van de wereld, omdat wij hogere maatstaven volgen. Daarom dienen wij niet met een wereldse geest op wereldse manieren te redeneren, maar wij dienen Gods geest in deze aangelegenheden te verkrijgen en wij dienen zijn gedachten tot de onze te maken (Jes. 55:8, 9). In wereldse gezinnen mogen de kinderen de baas spelen over de ouders; in theocratische gezinnen dienen zij zo niet te handelen. Sedert wanneer is het kind het hoofd van het gezin, dat het de ouders vertelt wat het wel wil of wat het niet wil? In Israël konden weerspannige kinderen worden gestenigd (Deut. 21:18-21). Jozua stond een ieder in zijn huisgezin niet toe dat hij zijn eigen religie koos, of Jehovah te dienen of de een of andere valse god. Jozua nam niet alleen voor zichzelf een beslissing maar ook voor zijn gehele gezin, de gezinsverantwoordelijkheid op zich nemend terwijl hij een verstandige keuze deed voor de behoudenis van allen die onder zijn leiding stonden (Joz. 24:15). Misschien dienen sommige ouders hun programma voor het opleiden van hun kinderen te herzien, met het oog op het duidelijker begrip omtrent gezinsverdienste en gezinsverantwoordelijkheid.

● Leefden er voor Adam andere mensen? Waar haalde Kaïn zijn vrouw vandaan? — G. B., Alberta, Canada.

Adam en Eva waren de eerste menselijke schepselen; alle anderen stammen van hen af. In Genesis 5:4 wordt over Adam gezegd: „Hij gewon zonen en dochteren.” Kaïn trouwde een van deze dochters. Niet een van hen werd op het tijdstip van haar geboorte in het bericht genoemd, maar het bestaan van al dezen wordt alleen maar aan het einde van het verslag over Adams leven erkend. De Bijbel geeft zelden de geboorte van meisjes afzonderlijk aan. Er wordt reeds eerder dan in Genesis 5:4 over andere mannen gesproken die vrouwen hebben en nakomelingen voortbrengen, maar er komt geen bericht voor over de geboorte van deze vrouwen. Het geval van Kaïn vormt geen uitzondering (Gen. 4:16-26). Terloops zij opgemerkt dat zelfs mannen der wetenschap die voorstanders van de evolutieleer zijn, over het algemeen de mening zijn toegedaan dat er slechts één oorspronkelijk paar was en dat hun nakomelingen zich onderling hebben vermenigvuldigd, broeder met zuster.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen