Het op sluwe wijze in discrediet brengen van Gods Woord
GODS Woord, de Bijbel, heeft altijd vijanden gehad. In voorbijgegane tijden hebben deze vijanden het voornemen van de Duivel gediend door Bijbels, Bijbelvertalers, uitgevers van de Bijbel en slechts gewone Bijbellezers aan de vlammen over te leveren. Tegenwoordig dienen trouweloze mannen het voornemen van de Duivel op meer sluwe manieren, maar ondanks dat, dienen zij het voornemen van de Duivel.
Een recent geval in verband hiermede is het artikel „De waarheid over de Bijbel”, hetwelk is verschenen in de uitgave van 26 februari 1952 van het geïllustreerde tijdschrift Look dat in de Verenigde Staten wordt uitgegeven. In een poging sensationeel te lijken, biedt het als nieuws dat Bijbelgeleerden het er over eens zijn dat Markus 16:9-20 geen deel vormt van het origineel, in welke teksten onder andere staat dat gelovigen „slangen zullen . . . opnemen; en al is het, dat zij iets dodelijks zullen drinken, dat . . . hun niet [zal] schaden”. Het artikel geeft eveneens te kennen dat Johannes 8:1-11, het verslag van de vrouw die in overspel werd aangetroffen, geen deel is van Johannes’ oorspronkelijke geschrift, en dat 1 Johannes 5:7, welke tekst luidt: „Want Drie zijn er, Die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn één”, eveneens een tussengevoegde tekst is, een onechte passage. Een aantal andere kleinere passages worden eveneens als twijfelachtig aangerekend.
Nadat er zulke voorbeelden zijn gegeven, wordt de bewering geuit dat Bijbelgeleerden het er over eens zijn geworden dat er 20.000 tot 50.000 fouten in de Bijbel voorkomen. Wat anders zal de gemiddelde lezer concluderen, dan dat er maar liefst 50.000 van zulke onechte passages als Johannes 8:1-11 of Markus 16:9-20 zijn. Maar is dat waar? Onmogelijk! Niet alleen zou het literair onmogelijk zijn dat de Bijbel 50.000 van zulke onechte passages zou bevatten, maar het zou onmogelijk zijn dat de Bijbel 50.000 onechte teksten heeft, zoals 1 Johannes 5:7, welke tekst spreekt over drie goden die één zouden zijn. Waarom? Omdat er alles bij elkaar slechts 31.173 verzen in de King James Version voorkomen. Deze Bijbel heeft daarentegen wel 3.566.480 enkele letters.
Dit artikel is werkelijk een sluwe poging om de Bijbel in discrediet te brengen door de algemeen bekende feiten betreffende zekere onechte passages, waarvan men eerst dacht dat ze een deel van de Bijbel waren, als nieuw en sensationeel voor te stellen. Meer dan 150 jaar geleden erkende Griesbach, op wiens herziene tekstuitgaaf de Emphatic Diaglott (een Grieks-Engels „Nieuw Testament”) is gebaseerd, dat zulke passages geen deel van de Bijbel zijn.
Hetgeen in dit artikel op een gebrek aan wetenschappelijkheid wijst, is het feit dat het Vaticaanse en Sinaïtische manuscript, papyri worden genoemd, terwijl het algemeen bekend is dat ze belangrijke velijnen of perkamenten manuscripten zijn; dat wil zeggen dat ze van een fijne kwaliteit kalfshuid zijn gemaakt en niet van papyrusriet. Evenmin getuigt het van veel wetenschappelijkheid er de nadruk op te leggen dat het grootste aantal fouten voor 200 n. Chr. werd gemaakt, zoals sommige critici nu beweren. Waarom? Omdat hoe dichter men bij de tijd van het originele geschrift komt des te minder waarschijnlijk het wordt dat opzettelijke knoeierij met de tekst onopgemerkt zou blijven, en daarom waren zulke fouten waarschijnlijk slechts kleine vergissingen bij het schrijven die de echtheid van hetgeen was opgetekend, niet zouden aantasten.
Ter zake dienend, is hier het getuigenis van Dr. Hort, een van de bekwaamste Bijbelgeleerden aller tijden. Volgens hem zijn zeven achtste van de woorden van het „Nieuwe Testament” boven twijfel verheven; en indien de verschillen in de spelling buiten beschouwing worden gelaten, is slechts een op de zestig woorden twijfelachtig. En van deze is het aantal dat wezenlijke veranderingen tot gevolg heeft zo gering dat ze „nauwelijks meer dan een duizendste gedeelte van de gehele tekst kunnen vormen”. — Textual Criticism of the New Testament (1912), bladzijde 6.
Ja, voor Bijbelgeleerden die in God geloven, is er niets sensationeels in het grote aantal kleine onnauwkeurigheden die de tekst van de Bijbel kunnen zijn binnengeslopen. Degenen die van ernstige aard zijn, zijn er zo opvallend ingevoegd, dat zij gemakkelijk kunnen worden herkend. 1 Johannes 5:7, welke tekst de drieëenheid schijnt te leren, wordt bijvoorbeeld in geen enkel Grieks manuscript gevonden dat ouder is dan de vijftiende eeuw; en zelfs in die tijd werd ze slechts door middel van bedrog in de tekst opgenomen, waarvan de feiten door de geschiedenis worden vermeld. In het kort tonen deze feiten dat een zekere Stunica, een katholieke autoriteit uit de zestiende eeuw, zich beklaagde omdat de katholieke Bijbelgeleerde Erasmus deze tekst uit zijn eerste twee uitgaven van het „Nieuwe Testament” had weggelaten. Erasmus beloofde dat hij de tekst zou opnemen, indien Stunica slechts een enkel Grieks manuscript kon verschaffen waarin de passage zou voorkomen. Stunica deed dit, maar later bleek dat het Griekse manuscript waarin deze tekst voorkwam, was aangepast aan een Latijns manuscript, waarin 1 Johannes 5:7 wegens een speciale nieuwe bewerking voorkwam. Indien het niet wegens dit bedrog was geweest, dan is het niet waarschijnlijk dat deze tekst ooit in de Statenvertaling zou zijn binnengedrongen.
Redelijke personen zullen in dit geval het door middel van een indirect bewijs gegeven getuigenis, aanvaarden. In 1947 werd er bijvoorbeeld in de nabijheid van de Dode Zee een rol van Jesaja gevonden. Ofschoon dit manuscript ongeveer duizend jaar verder teruggaat dan een andere thans voorhanden zijnde tekst van Jesaja waarvan de ouderdom met zekerheid is vastgesteld, laat het ondanks al die tijd nog altijd geen duidelijk merkbaar verschil zien. Duizend jaar van overschrijven en geen noemenswaardige verandering!
De echtheid van de Schrift wordt verder nog ondersteund door het getuigenis van de archeologie. De bekende Britse geleerde Sir Frederic Kenyon zegt in zijn boek The Bible and Archaeology bladzijde 279 en 280: „Hoewel de archeologie haar laatste woord nog niet heeft gesproken, bevestigen de ontdekkingen die reeds zijn gedaan, datgene wat het geloof zou doen vermoeden, namelijk dat de Bijbel alleen maar voordeel zou kunnen trekken van een toeneming der wetenschap.” Albright, een vooraanstaande Amerikaanse archeoloog, getuigt in dezelfde geest, namelijk, dat er ’niets is ontdekt wat iemands geloof in de Bijbel ook maar in het minst zou kunnen doen wankelen’.
En er zijn nog vele andere bewijzen van de echtheid van de Bijbel de harmonie tussen de ongeveer veertig schrijvers, ondanks het feit dat zij in zeer uiteenlopende tijden leefden en in plaatsen woonden die ver van elkaar waren verwijderd; de in het oog springende openhartigheid van de schrijvers; het getuigenis van wereldse historici, en, bovenal de vervulling van de profetieën die in de Bijbel staan opgetekend.
Ja, hoe zou er zulk een harmonie tussen de onderscheiden schrijvers van de Bijbel kunnen bestaan indien er 50.000 ernstige fouten in de tekst zouden zijn binnengeslopen? Hoe zouden de talloze archeologische ontdekkingen het Bijbelse verslag kunnen bevestigen indien zijn bladzijden 50.000 ernstige onnauwkeurigheden zouden bevatten? Hoe zouden wij zo vele Bijbelse profetieën kunnen aanwijzen die in vervulling zijn gegaan, indien ongeveer 50.000 woorden zelfs niet werden geïnspireerd? Klaarblijkelijk zijn de vele schrijffouten van weinig betekenis.
De moderne critici, die telkens terugkomen op het voorkomen van het aantal fouten die in de Bijbel zouden zijn gevonden, proberen daardoor Gods Woord op sluwe wijze in discrediet te brengen; en door dit feit als excuus voor hun gebrek aan geloof in de Bijbel aan te grijpen, zijn zij de moderne tegenhangers van de religieuze leiders uit de dagen van Jezus, die ’de mug uitzijgen maar de kameel doorslikken’ (Matth. 23:24, New World Trans.). Zij leggen 99,9 procent terzijde omdat men over 0,1 procent in onzekerheid verkeert.