Vragen van lezers
● Is het onschriftuurlijk voor een van Jehovah’s getuigen om iemand te trouwen die niet in de waarheid is? — L.H., Ohio.
Jehovah’s volk, dat aan hem is opgedragen, verkeert in een soortgelijke positie als Abraham, die in het land Kanaän verbleef, daar het zich in de wereld bevindt maar er geen deel van is (Joh. 17:14-16; 15:19). Abraham beschermde zijn gezinskring tegen de invasie van demonenaanbidding, wat het gevolg zou zijn wanneer er huwelijken met de Kanaänieten werden aangegaan, door in plaats daarvan iemand naar zijn geboorteland te sturen opdat deze een vrouw voor zijn zoon Izak zou zoeken (Gen. 24:3, 4). Izaks zoon Jakob werd op soortgelijke wijze beschermd tegen heidense vrouwen (Gen. 28:1, 2). Eeuwen later, toen de Israëlieten op weg waren naar het Beloofde Land, werd hun geboden geen huwelijken aan te gaan met de niet-gelovigen in Kanaän: „Gij zult u ook met hen niet verzwageren; uw dochters zult gij aan hun zonen niet geven, noch hun dochters nemen voor uw zonen; want zij zouden uw zonen van Mij doen afwijken, zodat zij andere goden zouden dienen” (Deut. 7:3, 4, NBG). Dit beginsel was zo belangrijk dat Jehovah het in zijn goddelijke Wet opnam: „Opdat gij geen overeenkomst sluit met de natiën, niet afvalt en u tot hun goden wendt, aan hun goden offert, overeenkomt aan hun maaltijden deel te hebben die zij tijdens het offeren gebruiken, uw zonen aan hun dochters uithuwelijkt, die afvallig zullen worden en zich tot hun goden zullen wenden, en zullen maken dat uw zonen ook afvallig worden” (Ex. 34:15, 16, Mo). Nauwe maatschappelijke betrekkingen van welke soort ook werden verboden als zijnde gevaarlijk. Nadat Israël Kanaän was binnengetrokken en vele overwinningen over de vijanden had behaald, was het nog steeds noodzakelijk de Israëlieten te waarschuwen zich niet in betrekkingen met de heidenen te verwikkelen, met inbegrip van de huwelijksverhouding. — Joz. 23:6-8, 12, 13.
Maar er waren altijd Israëlieten die dachten dat zij geestelijk sterk genoeg waren zodat zij heidense vrouwen konden trouwen, zich in de huwelijksbanden konden verheugen en terzelfder tijd weerstand konden bieden aan de verstrikkende uitwerking welke de demonenreligiën van hun vrouw hadden. Gods goede raad en gebod kon echter niet ongestraft worden voorbijgezien, zelfs niet door de wijste man uit die oude tijd, koning Salomo. Over hem staat geschreven dat hij vele vreemde vrouwen liefhad en zich vrouwen nam uit de heidense natiën rondom, en ’zijn vrouwen neigden zijn hart achter andere goden; dat zijn hart niet volkomen was met Jehovah, zijn God.’ Deze opzettelijke ongehoorzaamheid kwam nadat God Salomo had gewaarschuwd, nadat Jehovah God ’hem van deze zaak geboden had, dat hij andere goden niet zou nawandelen; doch hij hield niet, wat Jehovah geboden had.’ — 1 Kon. 11:1-11; Ezra 9:1, 2.
Soortgelijke waarschuwingen om zich afgescheiden van deze oude wereld te houden, worden eveneens in de Christelijke Griekse Geschriften gevonden. Bijvoorbeeld: „Komt niet onder een ongelijk juk met ongelovigen. . . . welk deel heeft een gelovige persoon met een ongelovige?” (2 Kor. 6:14, 15, NW). Een huwelijk van een van Jehovah’s getuigen met een ongelovige heeft een ongelijk juk tot gevolg en kan niet anders dan ongelijk optrekken en druk en wrijving teweegbrengen. Allen dienen er aan te denken dat de huwelijksbanden van lange duur moeten blijken te zijn, want in Gods gerechtshof kunnen ze niet gemakkelijk verbroken worden zolang er geen sprake is van overspel van de zijde van een der huwelijkspartners (Matth. 19:9; Mark. 10:11, 12). Deze banden kunnen verantwoordelijkheden en verplichtingen aan iemands vrijheid toevoegen welke levenslang zullen duren. Om deze reden dient niet alleen een eerste huwelijk maar eveneens een hertrouwen na de dood van de ene partner zorgvuldig te worden overwogen. De apostel Paulus geeft de raad: „Een vrouw is gebonden gedurende de gehele tijd dat haar echtgenoot leeft. Maar indien haar echtgenoot in de dood zou ontslapen, is zij vrij te gaan trouwen met wie zij wil. ALLEEN IN DE HEER.” — 1 Kor. 7:39, NW.
De beperking welke hier wordt opgelegd met betrekking tot Christelijke weduwen die wensen te hertrouwen, is met evenveel kracht van toepassing op een dienstknecht van God die een echtgenoot of vrouw zoekt, namelijk, „alleen in de Heer” te trouwen. Dit betekent, alleen een persoon te trouwen die zich aan Jehovah heeft opgedragen, evenals men zelf. Dat een Christen zich onder een ongelijk juk plaatst met een ongelovige, is niet bevorderlijk voor het Christelijke welzijn en hij laat zich meer door hartstocht leiden. Dat iemand zijn Christelijke welzijn en geestelijke belangen aldus opzettelijk en weloverwogen in gevaar brengt, is God en Christus niet welgevallig en betekent dat men Jehovah’s raad en gebod in de wind slaat.