Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w52 15/1 blz. 31-32
  • Vragen van lezers

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Vragen van lezers
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1952
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1952
w52 15/1 blz. 31-32

Vragen van lezers

● Genesis 1:26 luidt: „Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis.” Zou dit niet kunnen betekenen dat de vorm van Gods geestelijke lichaam dezelfde is als de vorm van het physieke lichaam van de mens? — H.D., Californië.

In Deuteronomium 4:15-20 wordt aangetoond dat mensen Gods gedaante niet kennen, en daarom behoeven de mensen niet te trachten deze gedaante door een of ander aards schepsel af te beelden. Zie eveneens Jesaja 40:18, 25. Te trachten de Schepper af te beelden in de gedaante van een zichtbaar mens of een andere aardse schepping, in plaats van hem als de onzichtbare en almachtige God te verheerlijken, is dwaas, zoals door Paulus wordt aangetoond: „Hoewel zij God kenden, hebben zij hem niet als God verheerlijkt noch hebben zij hem gedankt, maar zij zijn leeghoofdig geworden in hun redeneringen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden. Hoewel zij beweerden dat zij wijs waren, zijn zij dwaas geworden en zij hebben de heerlijkheid van de onverderfelijke God veranderd in iets wat gelijkt op het beeld van een verderfelijk mens en van vogels en viervoetige schepselen en kruipende dingen.” — Rom. 1:21-23, NW.

Bovendien schreef Paulus: „’De eerste mens Adam werd een levende ziel’ De laatste Adam [Christus] werd een levengevende geest. En evenals wij het beeld hebben gedragen van degene die van stof is gemaakt, zo zullen wij ook het beeld van de hemelse dragen” (1 Kor. 15:45, 49, NW). Hieruit blijkt dat het beeld van Adam niet hetzelfde was als het beeld van de opgestane Christus, een geestelijk schepsel. Het voorkomen van de als een geestelijk schepsel opgestane Christus was Christenen onbekend. Zij wisten dat hij in Gods „uitgedrukte beeld” was, of „de nauwkeurige afbeelding van zijn wezen” was, maar zij waren niet van mening dat dat „uitgedrukte beeld” of die „nauwkeurige afbeelding” de gedaante van een mens was, welke gedaante hun bekend was. Ook wisten zij dat zij God tenslotte zouden zien en hem gelijk zouden zijn, wanneer zij als geestelijke schepselen zouden worden opgewekt opdat zij met Christus zouden regeren: „Geliefden, thans zijn wij kinderen Gods, maar tot nu toe is het nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Wij weten wel dat wanneer hij wordt geopenbaard, wij hem gelijk zullen zijn, want wij zullen hem zien zoals hij is.” — Hebr. 1:3; 1 Joh. 3:2, NW.

Uit dit alles blijkt duidelijk dat de schrijvers van de Christelijke Griekse Geschriften niet de opvatting waren toegedaan dat de gedaante van mensen dezelfde was als de gedaante van God of als de gedaante van de opgestane Christus. Toen Jehovah tot de Logos (de titel van Christus voordat hij een mens op aarde werd) zeide: „Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis,” schijnt hij daarom stellig niet naar een letterlijke gedaante of een letterlijk voorkomen te verwijzen. De Logos onderging een grote verandering om in de gelijkenis van een mens te worden gemaakt (Fil. 2:7). Wij houden ons daarom aan de reeds eerder gepubliceerde verklaring, dat de mens in die betekenis naar hun beeld en gelijkenis werd geschapen, dat hij met dezelfde eigenschappen werd geschapen die Jehovah bezit, namelijk gerechtigheid, liefde, wijsheid en macht. Hierdoor wordt hij afgezonderd van alle andere aardse vormen van leven en wordt hij toegerust heerschappij over ze te voeren en op aarde Jehovah zichtbaar te vertegenwoordigen. Daar de Logos de goddelijke eigenschappen ook bezit, kon de Schepper terecht over dergelijke dingen tot de Logos spreken als over „Ons beeld” en „Onze gelijkenis”. — Gen. 1:28; 5:3; Ps. 89:15; Spr. 2:6; 3:19, 20; Dan. 2:20; 1 Joh. 4:8.

● De Wachttoren van 15 december 1949 sprak over de ’dag van Jehovah’ alsof deze dag in de toekomst lag, nog moest komen. De Wachttoren van 1 mei 1950 sprak op een dusdanige wijze over de ’dag van Jehovah’ alsof wij ons reeds in die dag bevonden. Hoe kunnen deze verklaringen met elkaar in overeenstemming worden gebracht? — J.B., Virginia.

De Wachttoren van 15 december 1949 handelde over de ’dag van Jehovah’ over het tegenbeeldige Babylon, hetgeen in Jesaja 13 wordt beschreven. Destijds, in het voorbeeld, brak die dag aan toen het oude Babylon viel. In onze tijd breekt hij aan wanneer het Grote Babylon, de organisatie van de Duivel, valt. Derhalve behoort die „dag” voor Jehovah’s vreemde daad, zijn strijd van Armageddon, nog tot de toekomst. Wij bidden er om. De ’dag van Jehovah’ waarin wij ons sinds 1914 n. Chr. bevinden, en naar welke „dag” De Wachttoren van 1 mei 1950 verwees, is zijn „dag” ten aanzien van zijn geestelijke Israël, gekenmerkt doordat hij zijn macht aanvaardt en zijn Koning op de troon plaatst en hem als de hoofdhoeksteen in Zion legt. Dit is de dag die Jehovah heeft gemaakt en wij zullen ons op deze dag verheugen en blijde zijn, er gelukkig over zijnde dat deze dag er is (Ps. 118:24). De achtergrond van de uitdrukking ’dag van Jehovah’ moet in gedachten worden gehouden, want door deze achtergrond kan er aan de uitdrukking een tweevoudige betekenis of toepassing worden gegeven.

● Kan er worden gezegd dat Armageddon in 1914 is begonnen, toen Satan uit de hemel en naar beneden naar de aarde is geworpen? — Een lezer in Connecticut.

Toen in 1914 de tijden der heidenen eindigden en Jezus Christus op de troon werd geplaatst, aanvaardde Satan de nieuwe Koning niet, en het gevolg daarvan was dat er oorlog in de hemelen uitbrak, welke oorlog eindigde met de verdrijving van Satan uit de hemelen. Die oorlog was het begin van „de tijd van het einde” voor Satans wereld, maar hij werd niet voortgezet totdat Satan zou zijn vernietigd. De benauwdheid werd verkort opdat het Koninkrijksevangelie gepredikt kon worden en de andere schapen des Heren op aarde, bijeenvergaderd konden worden. Wanneer het getuigenis is gegeven en de schapen van de bokken zijn gescheiden, zal het beslissende einde over Satans wereld komen. Dat zal Armageddon zijn, de strijd van de grote dag van God de Almachtige, en deze strijd zal het universum van Satan en zijn demonen en zijn zichtbare vertegenwoordigers op aarde bevrijden. — Matth. 24:14; Openb. 12:7-12; 16:14-16; 19:11–20:3.

● Hoe verklaart men de ogenschijnlijk barbaarse behandeling die David, een man naar Gods hart, de Ammonieten toebedeelde, zoals in 2 Samuël 12:31 en 1 Kronieken 20:3 staat vermeld? — J.C., Lissabon, Portugal.

In 2 Samuël 12:31 staat geschreven: „[David] leide het onder zagen, en onder ijzeren dorswagens, en onder ijzeren bijlen, en deed hen door den ticheloven doorgaan.” In 1 Kronieken 20:3 wordt gezegd: „Hij zaagde ze met de zaag, en met ijzeren dorswagens, en met bijlen.” Moderne vertalingen doen de ware betekenis van deze passages uitkomen, door aan te tonen dat David de Ammonietische gevangenen alleen aan het werk zette. Vandaar dat de Leidse Vertaling deze twee teksten als volgt vertolkt: „Een ontzaglijk grooten buit nam hij uit de stad mede; ook haar inwoners voerde hij weg, zette hen aan den arbeid bij de zaag, de ijzeren houweelen en de ijzeren bijlen en maakte hen tot slaven bij het tichelwerk.” „Haar bevolking . . . en zette ze aan den arbeid bij de zaag, de ijzeren houweelen en de bijlen.”

● Wat wordt bedoeld met de verklaring in Prediker 12:7: „De geest [keert] weder tot God . . ., Die hem gegeven heeft”? — J.D., Canada.

In deze tekst betekent geest de levenskracht. God neemt dit leven van de stervende zondaar terug, en niemand kan die levenskracht teruggeven dan Jehovah God, die deze levenskracht oorspronkelijk aan Adam gaf (Gen. 2:7). In Psalm 104:29, 30 (Ro) staat: „Gij verbergt uw aangezicht, zij worden ontzet, gij neemt hun geest terug, zij houden op te ademen, en zij keren terug tot hun stof; gij zendt uw geest uit, zij worden geschapen, en gij vernieuwt het voorkomen van de grond.” Wat dode menselijke schepselen betreft die in Gods gedachtenis worden bewaard, hij zal hun de levenskracht teruggeven in een opstanding. Zij die opzettelijk goddeloos zijn gestorven, zullen ten tijde van de opstanding niet worden gedacht. Zij zullen als de onredelijke dieren zijn, die vergaan. — Spr. 10:7; Pred. 3:18-21; Joh. 5:28, 29, NW; 2 Petr. 2:12.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen