Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w64 15/2 blz. 126-128
  • Vragen van lezers

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Vragen van lezers
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1964
  • Vergelijkbare artikelen
  • Vragenbus
    Onze Koninkrijksdienst 1980
  • Wat zegt een naam?
    Ontwaakt! 1982
  • Naam
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • De betekenis achter bijbelse namen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1971
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1964
w64 15/2 blz. 126-128

Vragen van lezers

● Daar de bijbelschrijvers voornamen gebruikten — de apostelen noemden elkaar bijvoorbeeld Petrus en Johannes en Paulus — beweren sommigen dat wij elkaar op onze hedendaagse vergaderingen ook bij de voornaam moeten noemen, te meer daar het woord „broeder” of „zuster” voor de achternaam te veel weg heeft van de gewoonte die er bij enkele valse religiën bestaat. Hoe zou uw antwoord daarop luiden? — L. R., Californië, V.S.

Wij gebruiken de woorden „theocratie” en „christen” en andere uitdrukkingen, ondanks het feit dat ook valse religiën ze gebruiken. Het is niet nodig dat wij het juiste gebruik van dergelijke termen laten varen louter en alleen omdat anderen ze verkeerd toepassen. Wij kunnen niet zeggen dat het een kwestie van valse religie is, de woorden „broeder” en „zuster” met een achternaam te gebruiken, want de Schrift doet dit ook bij enkele gelegenheden. En of de vertaling waarom het gaat nu bijvoorbeeld „Broeder Saulus” of „Saulus, broeder” zegt, doet in geen enkel opzicht iets aan de zaak af (Hand. 9:17; 22:13; 1 Kor. 16:12; 2 Petr. 3:15, NW). Bovendien worden deze uitdrukkingen geen officiële titels waardoor enkele personen van anderen worden onderscheiden, zoals er door de manier waarop de Rooms-Katholieke Kerk deze termen toepast, een verschil wordt aangeduid tussen sommige mensen en het lekendom. Jezus stond een dergelijk onderscheid niet toe, maar legde de nadruk op de gelijkheid van alle christenen toen hij zei: „Gij [zijt] allen broeders.” — Matth. 23:8, NW.

Het gebruik van voornamen zou verschillende problemen kunnen scheppen. Indien iemand pas in onze gemeente gekomen zou zijn of indien wij hem niet zo goed zouden kennen, zou het al te familiaar klinken wanneer wij zijn voornaam vanaf het podium zouden gebruiken. Indien de studieleider ergens in de twintig zou zijn en enkelen in de gemeente een jaar of zestig, zeventig, zou het erop lijken dat het de jonge voorzitter aan verschuldigde eerbied ontbreekt wanneer hij de ouderen bij hun voornaam zou aanspreken, en vooral omdat hij in vele gevallen geen intieme kennis van deze ouderen zal zijn en zich daarom, zelfs bij een vriendelijk gesprek in de zaal, niet vrij zal voelen hen bij hun voornaam te noemen. Nog een situatie die zich kan voordoen, is, dat een vrouw in de waarheid is en haar man niet, en deze man een van de vergaderingen bezoekt. Hij hoort een andere man zijn vrouw bij haar voornaam noemen, en dat nog wel vanaf het podium ten overstaan van de gehele gemeente. Het is begrijpelijk dat hij dit niet prettig vindt. Wie zou u dus, met het oog op deze en andere situaties, bij hun voornaam noemen? Sommigen zouden zich gekwetst voelen indien u het deed; anderen zouden pijnlijk getroffen zijn indien u het niet deed. Alle moeilijkheden zijn opgelost wanneer wij op het podium iedereen bij de achternaam noemen, ook onze eigen gezinsleden. Daardoor vermijden wij verdeeldheid in de gemeente en het aanspreken van de een op deze manier en anderen op die manier. Natuurlijk zullen wij nieuwelingen in de waarheid niet als broeders en zusters aanspreken, daar de hieruit sprekende geestelijke verwantschap niet bestaat. Nieuwelingen behoeven echter zelden tijdens de vergaderingen vanaf het podium aangesproken te worden daar zij gekomen zijn om te luisteren.

Het gebruik van namen als Petrus, Johannes en Paulus in de bijbel, kan sommigen een argument voor het gebruik van voornamen toeschijnen. Dit waren echter geen voornamen die impliceerden dat er nog een tweede of achternaam volgde. Het waren, in de meeste gevallen, de enige namen. Er waren wel mensen die nog een naam hadden die soms in plaats van de andere naam werd gebruikt. Zo luidde bijvoorbeeld de naam die Petrus het eerst werd gegeven „Simon”, terwijl hij later „Céfas”, naar het Aramees, of „Petrus”, naar het Grieks, werd genoemd. In sommige teksten wordt hij „Simon Petrus” genoemd; „Petrus” zou dus eerder een achternaam dan een voornaam zijn. Achternamen zoals wij die thans kennen, bestonden niet bij de joden uit bijbelse tijden. De Westminster Dictionary of the Bible (1944), verklaart op bladzijde 418: „Onder de Hebreeën ontbraken achternamen; personen werden aangeduid doordat men de naam van hun stad aan de persoonsnaam toevoegde, zoals Jezus van Nazareth, Jozef van Arimathéa, Maria Magdalena en Nahum de Elkosiet, of doordat men vermeldde van wie iemand afstamde, bijvoorbeeld Simon, zoon van Jona; ook wel doordat men hun aard, hun beroep of een ander kenmerk toevoegde, zoals Simon Petrus, Nathan de profeet, Jozef de timmerman, Matthéüs de tollenaar, Simon de Zeloot en Dionysius de Areopagiet.”

In dit verband zegt de Encyclopedia Americana in de uitgave van 1942 onder „Namen”: „Noch de Hebreeën, Egyptenaren, Assyriërs, Babyloniërs en Perzen, noch de Grieken kenden achternamen; en hetzelfde kan worden gezegd van de Romeinen in de vroegste periode van hun geschiedenis” (Deel 19, blz. 685). Deze verwijsbron toont vervolgens aan dat ons huidige stelsel van achternamen pas eeuwen nadien werd ingevoerd. Uit dit alles blijkt dat de bijbelse figuren geen voornamen hadden zoals wij die thans beschouwen, met daarna een achternaam voor meer formeel gebruik; daarom duidt het gebruik van de namen Petrus, Johannes en Paulus en andere soortgelijke namen die ons voornamen toeschijnen, niet op een zekere vertrouwelijkheid onder de vroege christenen en de apostelen. Het was in die tijd gebruikelijk.

Wat is thans de normale gang van zaken? Wanneer mensen die vreemden voor elkaar zijn, worden voorgesteld, worden de achternamen gebruikt, totdat deze twee mensen elkaar goed kennen. Is er een groot leeftijdsverschil, dan kan het zijn dat de jongste de oudste nooit bij zijn voornaam zal noemen. Wanneer mensen op een ernstige vergadering bijeenzijn, is het de gewoonte achternamen te gebruiken. Het is de gebruikelijke, waardiger en eerbiediger manier om iemand aldus aan te spreken. Tijdens onze gemeentevergaderingen kunnen wij dit gebruik in verband met achternamen dus navolgen. In plaats dat wij echter, zoals in de wereld de gewoonte is, de woorden Mijnheer, Mevrouw of juffrouw vóór de achternaam plaatsen, gebruiken wij de termen waaruit blijkt dat wij in een veel nauwere verhouding tot elkaar staan dan wereldlingen.

Het Modelgebed begint met „Onze Vader”, waaruit blijkt dat hij de Vader van velen is, en de velen die hem aldus aanspreken, zijn noodzakelijkerwijs broeders en zusters; zij vormen te zamen een gezin, waarvan God het hoofd is. Wanneer wij elkaar op onze vergaderingen dus met broeder of zuster aanspreken, leggen wij de nadruk op deze gezegende verhouding of geestelijke gezinseenheid. Het is deze wonderbaarlijke verwantschap die Jehovah’s getuigen zo anders doet zijn, zo zorgzaam voor elkaar, zo bereid elkaar te helpen. Wij zijn dankbaar voor deze verwantschap, wij zijn bereid deze te erkennen, er de aandacht op te vestigen, zonder dat wij ons hierom, met het oog op wat sommige wereldlingen misschien zouden denken, beschaamd of verlegen voelen. Wereldlingen noemen elkaar onder allerlei omstandigheden bij de voornaam. Zij noemen ons en wij noemen hen bij de voornaam. Dit duidt slechts op onvormelijkheid of een elkaar goed kennen. Gebruiken wij echter „broeder” of „zuster”, dan duidt dit op een gezegende verhouding, een gezinsverhouding onder de ene Vader, Jehovah God. Dit is een verhouding die veel intiemer en kostbaarder is dan enige verhouding die door het gebruik van een voornaam te kennen wordt gegeven. Dit is toch zo, niet waar?

● Indien een ongehuwde zwangere vrouw die regelingen heeft getroffen voor adoptie van de baby tot een kennis van de waarheid komt voordat de baby wordt geboren, dient zij zich dan verplicht te voelen het kind te houden om het in de waarheid van Gods Woord te onderwijzen?

Men zou kunnen aanvoeren dat indien de baby wordt geadopteerd, hij het in stoffelijk opzicht beter zal hebben en niet als een onwettig kind gebrandmerkt zal zijn. Geestelijke voorzieningen zijn echter van groter belang dan stoffelijke, en indien dit nodig mocht blijken, kan het maatschappelijke merkteken worden voorkomen doordat de moeder naar een andere plaats verhuist.

Jehovah geeft ouders de opdracht: „Wat ik u heden gebied, zal in uw hart zijn, gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat.” Hoe zou een moeder dit kunnen doen wanneer zij haar baby weggeeft? Hoe zou zij zijn leven een goed begin kunnen geven, zoals de bijbel zegt: „Oefen den knaap volgens den eis van zijn weg, ook wanneer hij oud geworden is, zal hij daarvan niet afwijken”? — Deut. 6:6, 7; Spr. 22:6.

Op het moment kan het misschien verstandig lijken zich van de last te ontdoen door de baby te laten adopteren, maar dit zou tegen de moederlijke instincten indruisen en na verloop van tijd zou de moeder deze daad diep kunnen betreuren. Het zou haar natuurlijke genegenheid geweld aandoen, alhoewel ons over deze laatste dagen van kritieke, moeilijke tijden wordt gezegd dat vele mensen „geen natuurlijke genegenheid” zouden hebben. Klaarblijkelijk is het beter zich door de beginselen der moederliefde en liefde voor het kind te laten leiden en een zuiver geweten te bewaren. Het schijnt zelfs dat de beginselen van het christelijk geloof geweld worden aangedaan wanneer men in gebreke blijft voor het kind te zorgen dat men ter wereld heeft gebracht. Paulus schreef: „Stellig, indien iemand niet voor de zijnen zorgt, en in het bijzonder voor hen die leden van zijn huisgezin zijn, dan heeft hij het geloof verloochend en is erger dan een ongelovige.” — 2 Tim. 3:3; 1 Tim. 5:8, NW.

Het blijkt dus moediger en christelijker te zijn de last die het houden en grootbrengen van de baby met zich brengt, te dragen en alle consequenties die daaruit voortvloeien, zoals het verlies van een goede naam, onder de ogen te zien. Dit geldt vooral nu de moeder tot een kennis van de waarheid is gekomen en in staat is haar kind in de waarheid te onderwijzen en het misschien zelfs mogelijk te maken dat het voor altijd in een nieuwe wereld van rechtvaardigheid zal leven. Iemand die zich in deze moeilijke positie bevindt, moet zelf beslissen welke handelwijze zij wil volgen.

● Wat wordt er bedoeld met een tekenvervulling van de voortplantingsopdracht? Moet de vervulling ervan niet meer zijn dan louter een vertegenwoordigende of tekenvervulling? — A. L., Verenigde Staten.

De grote massa der mensheid, „zij die verachtelijke dingen hebben beoefend”, zal pas wanneer de duizendjarige regering ver gevorderd is en er overal op aarde paradijstoestanden heersen, door middel van een opstanding de nieuwe wereld betreden (Joh. 5:28, 29; Luk. 23:43, NW). De overlevenden van Armageddon zullen een aandeel hebben aan de vervulling van de opdracht ’vruchtbaar te zijn, tot velen te worden en de aarde te vullen’ met rechtvaardige nakomelingen. Onder het vervullen van deze opdracht kunnen wij echter niet verstaan dat het de bedoeling is dat de aarde volledig wordt bevolkt, want dan zou er geen ruimte over zijn voor de grote menigten mensen die daarna een opstanding zullen krijgen. — Gen. 1:28, NW.

In plaats dat er dus een volledige vervulling van de voortplantingsopdracht zal plaatsvinden, moeten wij spreken van een tekenvervulling. Ze zal een teken vormen van wat God tot stand zou kunnen brengen, een demonstratie van Jehovah’s vermogen de aarde door middel van de menselijke voortplanting met een rechtvaardig ras te bevolken, zoals ten tijde van de schepping in zijn bedoeling lag. Wij hebben een voorbeeld van een dergelijke tekenvervulling in Noachs volmaakte aantal geslachten (10x7=70) na de vloed (Gen. 9:1). Het vullen van de aarde door de andere schapen die Armageddon overleven, zal een teken, een afbeelding of demonstratie vormen van Jehovah’s macht de voortplantingsopdracht aldus te verwezenlijken, en kan daarom een vertegenwoordigende of een tekenvervulling genoemd worden; ze zal echter geen volledige vervulling zijn, want dan zou er geen ruimte overblijven voor de latere opstanding van degenen „die verachtelijke dingen hebben beoefend”.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen