Vragen van lezers
● In Johannes 5:28, 29 en Handelingen 24:15 wordt over een opstanding gesproken van hen die het goede, en zij die het kwade hebben gedaan, en van de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen. Wie zijn degenen die tot elk van deze twee groepen behoren? — R.K., Pennsylvanië, V.S.
In de New World Translation worden deze schriftuurplaatsen als volgt weergegeven: „Het uur komt, dat allen in de herinneringsgraven zijn stem zullen horen en zullen uitkomen, wie het goede hebben gedaan tot een opstanding ten leven, wie het verachtelijke hebben beoefend tot een opstanding ten oordeel” (Joh. 5:28, 29). „Er [zal] een opstanding van de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen . . . zijn” (Hand. 24:15). Zij die in de eerste opstanding zouden delen en als geestelijke schepselen opgewekt zouden worden om samen met Christus te regeren, worden tot „de rechtvaardigen” die „het goede hebben gedaan”, gerekend. De getrouwe mensen uit de oudheid en een ieder die tot de grote schare van de andere schapen behoort, en voor Armageddon mocht komen te sterven, kunnen echter eveneens als personen die het goede hebben gedaan en die als rechtvaardig worden aangemerkt, worden beschouwd. Daar zij ernaar hebben gestreefd Gods wil te doen en niet het verachtelijke hebben beoefend, zullen zij een opstanding ontvangen waardoor zij op de weg des levens worden geplaatst. Zij die echter niet in een oordeelsperiode hebben geleefd en die Jehovah’s vereisten niet kenden en onwetend het verachtelijke hebben beoefend, zullen gedurende het duizendjarige rijk in de algemene opstanding tot leven worden teruggebracht en hun oordeelsperiode ingaan. Vandaar dat er van hen wordt gezegd dat zij „tot een opstanding ten oordeel” zullen terugkomen.
Merk op dat Johannes 5:28 de opstanding tot hen die zich „in de herinneringsgraven” bevinden, beperkt. Dit betekent dat alleen degenen die door Jehovah in zijn herinnering worden bewaard, uit de doden opgewekt zullen worden, welke gedachtenis door de uitdrukking ’herinneringsgraf’ wordt te kennen gegeven of gesymboliseerd. Daarom werden misdadigers waarvan men dacht dat zij geen opstanding waardig zouden zijn, zonder enig ceremonieel in het Dal van Hinnom, of Gehenna, geworpen. Daar werd hun lichaam verteerd, zonder dat het werd beklaagd of begraven, en zonder dat een grafsteen aan hun vroegere bestaan herinnerde of de gedachte eraan wakker hield. Zij die zich derhalve niet „in de herinneringsgraven” bevinden, of aldus niet als in Gods herinnering zijnde worden gesymboliseerd, zullen ten tijde van de opstanding niet in de herinnering terugkomen. Voor ons, die in deze huidige oordeelstijd leven, betekent dit dat zij die om de een of andere reden niet een standpunt voor Jehovah innemen, en daarom in de strijd van Armageddon door Hem vernietigd zullen worden, niet met het oog op een opstanding in zijn herinnering zullen blijven voortbestaan. Dat de meerderheid van de thans op aarde levende mensen tot deze groep zal behoren, wordt in Jeremia 25:33 aangetoond: „Zij die door den HERE geveld zijn, zullen te dien dage liggen van het ene einde der aarde tot het andere, zij zullen niet beklaagd, noch bijeengezameld, noch begraven worden; tot mest op den akker zullen zij wezen”. Dit grote aantal dat door Jehovah is geveld en dat met over de aarde uitgestrooide mest wordt vergeleken, kan moeilijk als zich „in de herinneringsgraven” bevindende, worden beschouwd, op grond waarvan Christus zich deze personen zou herinneren en in het duizendjarige rijk zou opwekken.
● Mogen christenen op een wereldse feestdag anderen bij zich aan huis uitnodigen, of een uitnodiging aannemen om op een dergelijke dag bij anderen te gaan eten? — G.B., V.S.
De Schrift veroordeelt het niet als christenen in hun eigen huis een maaltijd gebruiken of op de een of andere dag bij vrienden af familieleden te gast zijn. Daar op zo’n wereldse feestdag velen van hun werk vrij zijn, is het mogelijk dat zij alleen dan maar in de gelegenheid zijn om met hun vrienden samen een maaltijd te gebruiken. Het is natuurlijk niet christelijk en evenmin schriftuurlijk elkaar op die dag te ontmoeten met het speciale doel een maaltijd te gebruiken ter ere van die feestdag. Hoewel de religie van sommigen op bepaalde dagen hierin bestaat dat zij dingen doen die op andere dagen heel gewoon zouden zijn, is het daarentegen niet nodig dat wij op bijzondere dagen bepaalde dingen vermijden die wij op andere dagen wel doen.
In verband hiermee is het goed de volgende schriftuurlijke raad in gedachten te houden: „Nu zal wat wij eten ons niet bij God brengen; eten wij niet, wij zijn er niet minder om; eten wij wél, wij zijn er niet meer om. Maar ziet toe, dat deze bevoegdheid van u niet tot aanstoot voor de zwakken worde.” „Of gij dus eet of drinkt, of wat gij ook doet, doet het alles ter ere Gods.” — 1 Kor. 8:8, 9; 10:31.
● Toen Jezus, zoals in Mattheüs 5:5 staat, zei: „Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven,” over wie sprak hij toen? — H.S., V.S.
Jezus paste hier de uitdrukking „zachtmoedigen” toe op de discipelen die hij in die tijd had en die tot zijn hemelse koninkrijk behoorden. Hij was zelf de zachtmoedigste onder hen en hun voorbeeld. In Hebreeën 1:1, 2 en 2:5, 6 wordt aangetoond dat Jezus de aarde zal beërven of in bezit zal krijgen. Zijn discipelen werden tot zijn medeërfgenamen van het Koninkrijk gemaakt en zullen tezamen met hem de aarde bezitten. Om deze reden is Mattheüs 5:5 strikt genomen niet op de „andere schapen” van toepassing. Deze tekst wordt echter wel in verband met hen aangehaald en zeer terecht, want zij moeten in navolging van Jezus ook zachtmoedig zijn en alleen als gevolg hiervan zullen zij in staat zijn in de nieuwe wereld op deze aarde te leven. De aarde wordt niet hun eigendom evenmin als dat bij Adam in de hof van Eden het geval was; niettemin kunnen wij Mattheüs 5:5 een algemene toepassing geven in die zin dat zij de aarde voor de belangrijkste erfgenaam, de Here Jezus Christus, bewaren. In deze zin gaan zij een erfenis binnen. Zij genieten van het rijk van de Koning. Zoals Jezus al zei in zijn gelijkenis over de schapen en de bokken: „Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het Koninkrijk dat u bereid is van de grondlegging der wereld af” (Matth. 25:34). Het is dus niet verkeerd deze schriftplaats in algemene zin te gebruiken als wij over de zegeningen spreken die de „andere schapen” in de nieuwe wereld te wachten staan.
● Waarom koos Jehovah Israëls eerste menselijke koning uit de stam Benjamin en stelde hij hem de hoop voor ogen dat het koningschap voor eeuwig op zijn huis zou blijven rusten, terwijl in een eerder gegeven profetie Juda als de stam waaruit koningen zouden voortkomen, was genoemd? — R.G., Cuba.
Lea was Jakobs eerste vrouw en de eerste die hem kinderen baarde, maar dit kwam alleen omdat Jakob was bedrogen. Rachel was de vrouw die hij liefhad en voor wie hij werkte, en daarom zou het geboorterecht op Rachels nakomelingen moeten overgaan, hoewel Jakobs nakomelingen bij Lea ouder waren (Gen. 29:18-28). Sara was de geliefde vrouw van Abraham, en het geboorterecht ging op haar nakomeling Izak over, zelfs al was Abrahams zoon bij Hagar, Ismaël, ouder in leeftijd. Zo was het ook met Rachels nakomeling Jozef gesteld. Jozef werd echter geen stamhoofd in Israël, maar wel zijn zoons Manasse en Efraïm. Manasse was de oudste van de twee, maar door goddelijke leiding ging de betere zegen naar Efraïm. Jehovah zei over hem: „Efraïm, die is mijn eerstgeborene” (Gen. 48:8-20; Jer. 31:9). Door vele tekortkomingen verwijderde de stam Efraïm zich later uit deze begunstigde positie, en de psalmist schrijft over Jehovah’s optreden: „Hij versmaadde de tent van Jozef, en verkoos Efraïms stam niet. Maar Hij verkoos den stam van Juda”. — Ps. 78:9, 67, 68.
Nu Jozef, door het tekortschieten van Efraïm, was uitgeschakeld, moest Rachels andere nakomeling, Benjamin, zijn kans krijgen. Deze gelegenheid kwam toen Saul tot koning werd gezalfd, want Saul was een Benjaminiet. In 1 Samuël 13:13 wordt over de mogelijkheid gesproken dat Sauls koningschap voor eeuwig bevestigd zou worden; wij dienen echter in gedachten te houden dat het Hebreeuwse woord dat hier met „altijd” is vertaald, ohlahm is. Zoals in eerder verschenen uitgaven van De Wachttoren en in het boek „God zij waarachtig” is aangetoond, betekent dit Hebreeuwse woord een periode van een verborgen of onbepaalde tijd, hetgeen echter niet noodzakelijkerwijs eeuwig behoeft te betekenen. Jehovah wist inderdaad van tevoren dat het koningschap niet in het huis van Benjamin zou blijven, maar het was Sauls eigen aanmatigende en trouweloze handelwijze die er de oorzaak van was dat hij voor zij gezin en stam het koningschap verloor. Dat Jehovah zijn vermogen van voorkennis aanwendde, was niet iets wat Saul ertoe dwong laakbaar te handelen. Op eigen initiatief handelde Saul tegengesteld aan Jehovah Gods uitdrukkelijke gebod, en daar hij wist waaruit zijn zonden bestonden, was hij ten volle voor zijn overtredingen verantwoordelijk.
Nu de begunstigde nakomelingen van Rachel hun kans hadden gehad, was het de beurt aan de oudere zonen van Lea om voor de zegening van het koningschap in aanmerking te komen. Vóór Juda waren eerst Ruben, Simeon en Levi aan de beurt. Wanneer Jakob zijn zonen zegent, vermeldt hij echter redenen waarom deze drie broers niet in aanmerking kwamen (Gen. 49:3-7). De levieten legden later bovendien een opmerkelijke getrouwheid aan de dag, waarvoor zij met de zegeningen van het priesterschap werden beloond. Daardoor kon niemand van hen meer in aanmerking komen voor het koningschap. Juda kwam derhalve vervolgens aan de beurt, en de profetie in Genesis 49:8-12 laat zien dat hij erin zou slagen het koningschap te behouden, en dat hij de menselijke voorvader van de Koning die voor eeuwig zal regeren, namelijk Christus Jezus, zou zijn. Jehovah stond bij dit alles natuurlijk niet onder de verplichting zich aan de algemene gewoonte betreffende het eerstgeboorterecht en de voorrechten daarvan te houden. Zonder degenen die volgens de menselijke methoden het eerst aan de beurt waren ook maar iets tekort te doen, had hij reeds onmiddellijk bij het begin, wie hij ook maar wilde, kunnen uitkiezen.
● Wanneer het boek From Paradise Lost to Paradise Regained op bladzijde 229 zegt dat getrouwe dienstknechten van Jehovah die nu sterven „in de ’opstanding ten leven’ teruggebracht [zullen] worden en dezelfde zegeningen [zullen] ontvangen als de mensen die Armageddon overleven”, wordt hier dan mee bedoeld dat zij zullen trouwen en een aandeel aan de vervulling van de voortplantingsopdracht zullen hebben? — F.B., V.S.
De verklaring waar hier naar wordt verwezen en die over de vooruitzichten handelt van de getrouwe getuigen van Jehovah die zich aan Hem hebben opgedragen en dit door de waterdoop hebben gesymboliseerd en die de hoop koesteren eeuwig op aarde te leven, houdt in dat zij de zegeningen zullen ontvangen waar zij volgens de Schrift recht op hebben. Er is niets in de Schrift waardoor te kennen wordt gegeven dat zij zullen trouwen en een aandeel aan de voortplantingsopdracht zullen hebben. Jezus zei, zoals dit in Lukas 20:35 (NW) staat opgetekend: „Degenen die waardig zijn gerekend dat samenstel van dingen en de opstanding uit de doden te verwerven, huwen niet noch worden zij ten huwelijk gegeven”. Dit is ook op hen van toepassing die voordat Christus in de tegenwoordigheid van God verscheen om de waarde van zijn menselijke offer ten behoeve van zijn getrouwe volgelingen hier op aarde aan te bieden, zijn gestorven; derhalve zijn al de getrouwen vanaf Abel tot aan Johannes de Doper hieronder begrepen.
Dientengevolge rust op een vrouw die door het overlijden van haar man vóór Armageddon weduwe is geworden, niet de verplichting op zijn opstanding uit de doden ná Armageddon te wachten. Zij is vrij om te hertrouwen met wie zij wil, alleen, in de Heer, en om haar nieuwe echtgenoot kinderen te baren. Zoals in Romeinen 7:13 wordt aangetoond, doet de dood de huwelijksband teniet.