Vragen van lezers
● Waarom of in welke betekenis gebruikt de Nieuwe-Wereldvertaling (Engels) het woord „gepijnigd” in Openbaring 20:10? — F.F. West Virginia.
De uitdrukking ’zullen worden gepijnigd’ in deze tekst is een vertaling van het Griekse werkwoord basanízo. Dit werkwoord is afgeleid van het Griekse zelfstandige naamwoord básanos, hetwelk een Lydische steen was waaraan goud werd getoetst. Wanneer zuiver goud er langs werd geschuurd, liet het een gele streep achter. Básanos kreeg daarom de betekenis van „toetssteen”, en vervolgens „ondervraging, toets, beproeving op echtheid”, en, wanneer de uitdrukking van toepassing werd gebracht op mensen die werden ondervraagd, „ondervraging door pijniging,” en dan gewoon „kwelling, pijniging” door verscheidene oorzaken. Omdat in de oudheid de gevangenbewaarders deze kwelling moesten toepassen op gevangenen die werden ondervraagd werden de gevangenbewaarders basanistés genoemd, zoals in Mattheüs 18:34 (NW). Gij zult bemerken dat de voetnoot bij deze tekst in de Nieuwe-Wereldvertaling luidt: „Of, ’pijnigers.’”
Daarom vertolkt de Nieuwe-Wereldvertaling Openbaring 20:10 als volgt: „En de Duivel, die hen misleidde, werd in de poel van vuur en zwavel geworpen, waar zowel het wilde beest als de valse profeet reeds was; en ze zullen tot in alle eeuwigheid dag en nacht worden gepijnigd.” Dit betekent natuurlijk dat zij tot in alle eeuwigheid gevangen gehouden zullen worden in de vernietiging, want in vers 14 staat dat de poel van vuur ’de tweede dood betekent’. Hij komt overeen met Gehenna, waarin, zoals Jezus zeide, de Almachtige God ’zowel ziel als lichaam kan vernietigen’ (Matth. 10:28, NW). De gevangenbewaarders zullen hen nimmer uit deze toestand van vernietiging bevrijden.
Daar basanízo oorspronkelijk betekent, ondervragen of toetsen aan een toetssteen, wil het pijnigen van de Duivel, het wilde beest en de valse profeet, hetgeen dagelijks tot in alle eeuwigheid geschiedt, zeggen dat zij de oppermacht en soevereiniteit van Jehovah God hebben uitgedaagd. Zij mogen daarom blijven bestaan om de echtheid van Jehovah’s rechtmatige oppermacht en souvereiniteit te toetsen, en de toets die ten slotte tot gevolg heeft dat zij in de „tweede dood” worden geworpen, bewijst dat Jehovah werkelijk of echt het recht heeft op oppermacht en souvereiniteit. Elke keer daarom dat er gedurende alle toekomende tijd, ’dag en nacht tot in alle eeuwigheid,’ gewag wordt gemaakt van de Duivel, het wilde beest en de valse profeet als een toetssteen, dat wil zeggen, elke keer dat zij worden gepijnigd op grond van Jehovah’s oppermacht en souvereiniteit, zal zulk een vermelding van de Duivel, het beest en de profeet tegen hen zijn, maar ze zal de rechtmatige souvereiniteit en oppermacht van Jehovah God duidelijk laten uitkomen. Met andere woorden, door bemiddeling van hen beslist de Almachtige God voor altijd de kwestie waarover de strijdvraag bestaat met betrekking tot de oppermacht en souvereiniteit van het universum. Zij keren nimmer tot leven terug om hem wederom uit te dagen.
● Zal een doodgeboren baby of een baby die kort na de geboorte sterft, een opstanding krijgen indien de ouders van het kind getrouwe dienstknechten van Jehovah zijn? — H.C., Verenigde Staten.
Wat Jehovah opwekt of in een geschapen lichaam plant, is het levenspatroon dat de persoon voor de dood heeft ontwikkeld of de persoonlijkheid die hij aldus heeft ontwikkeld. Alhoewel een kind dat enkele uren of dagen of zelfs een jaar na de geboorte sterft, misschien nog geen levenspatroon of intelligent herinneringsvermogen heeft ontwikkeld, heeft het toch geestelijke hoedanigheden en trekken van zijn voorouders geërfd, en indien het de tijd had gekregen deze hoedanigheden en trekken te ontwikkelen, zou het resultaat er van een definitieve persoonlijkheid zijn geweest, die verwantschap met het gezin had getoond. Dr. Milton J.E. Senn van het Kinderstudiecentrum aan de Yale Universiteit, zeide in zijn positie als professor in de paediatrie en psychiatrie: „Het schijnt dat het organisme van een persoon zowel in psychologische als physiologische betekenis, bij de ontvangenis begint. . . . Het kind komt ter wereld met een tamelijk vast omlijnd physiek en geestlijk patroon, en het gedrag van het kind gedurende de periode dat het opgroeit, staat onder invloed hiervan.”
Jehovah God en Christus Jezus kunnen al deze verborgen neigingen in een baby opmerken en ze in de opstanding produceren, zodat het kind met wie de moeder er van in die tijd verenigd zal worden, werkelijk haar kind zal zijn, en naarmate zulke trekken en neigingen worden ontwikkeld wanneer het kind onder het Koninkrijk en op de nieuwe aarde groeit, zal dit de moeder steeds duidelijker worden. Zij zal om deze redenen weten dat het werkelijk haar eigen kind is en niet om een wezenlijke physieke overeenkomst. In het geval van een doodgeboren kind waren deze physieke en geestelijke patronen die worden geërfd, aanwezig van de tijd van ontvangenis af en gedurende de tijd dat de baby in de schoot werd ontwikkeld, maar het kind had nimmer als een persoon geleefd, en de opstanding is voor hen die hebben geleefd.
Indien kinderen zijn geheiligd wegens een gelovige ouder, bestaat er geen reden om te twijfelen dat zulke „heilige” kinderen een deel zullen hebben in de opstanding, ook al zijn zij als babies gestorven.